En, wat doen we voor de gebruiker

Deze blogpost verscheen eerder op www.journalismlab.nl

“En, wat doen we voor de gebruiker?” is wat mij betreft de startvraag voor elke journalist, iedere nieuwsorganisatie en -professional die relevant wil zijn en blijven in dit tijdperk.

De werkelijke crisis van de journalistiek
Maar het is juist een vraag die keihard ontbreekt in de journalistieke industrie, wanneer er gedebatteerd wordt over de toekomst van de professie. Het publiek – de lezer, kijker en/of gebruiker van nieuws- speelt een marginale rol in het denken en wordt hoogstens als instrumenteel gezien en niet of nauwelijks betrokken bij nieuwe plannen.

Uit een recent promotie-onderzoek van Klaske Tameling naar crossmediale dilemma’s op Nederlandse nieuwsredacties blijkt dat wordt gekeken naar problemen en oplossingen vanuit voornamelijk interne perspectieven. De buitenwereld lijkt niet echt binnen te dringen in de traditionele journalistiek. De mensen die wel een nieuw perspectief kunnen bieden, worden als tweederangs gezien of genegeerd, en naar gebruikers of niet-journalisten wordt alleen geluisterd als het geluid bekend is of bevalt. Een recipe for disaster waarmee iedere gezonde kritiek wordt uitgeschakeld en kansen op overleving geminimaliseerd worden.

Veranderende routines betekent verdwijnende organisaties
Wat blijkt nog meer: journalistiek werk blijft nodig, maar de manier van organiseren is toe aan verandering door nieuwe ritmes, overvloed in plaats van schaarste en door cultureel-maatschappelijke veranderingen. Wetenschapper Jo Bardoel, zo haalt Tameling aan, stelt dat de maatschappelijke missie van de journalistiek onveranderd blijft. Wat verandert zijn de routines.

En om die routines aan te passen aan de huidige maatschappij zou de journalistiek wat mij als designer betreft toch eens moeten beginnen met luisteren, kijken, vragen en zoeken buiten de eigen veilige groep. 

boekcover

En, hoe convergeren ze?
Tot op de dag van vandaag staat ‘verandering’ voor veel journalistieke professionals gelijk aan ‘crisis’. Wat de industrie zelf als aanleiding voor problemen, veranderingen en oplossingen zag in de periode 2007-2011, en hoe daar op ingespeeld werd, beschrijft Tameling in haar onlangs verschenen proefschrift ‘En wat doen we online? Crossmediale dilemma’s op de Nederlandse nieuwsredactie’:

“De traditionele journalistieke cultuur en dus de onderliggende gemeenschappelijke ideologie, wordt door economische, culturele en technologische ontwikkelingen ter discussie gesteld. Maar het punt is niet, zoals Deuze beargumenteert, dat er iets mis zou zijn met die traditionele professie. De veranderende maatschappij maakt een heroverweging van de journalistieke professie echter noodzakelijk om uiteindelijke relevant te blijven.”

Fraai tijdsdocument voor context, begrip en verbazing
Tameling weet de implicaties van die heroverwegingen voor het dagelijks werk op de nieuwsvloer goed te treffen met haar proefschrift. Het biedt een rijk overzicht aan bestaande literatuur over, en onderzoek naar de journalistieke industrie en context. Vervolgens wordt deze metastudie gecombineerd met eigen etnografisch onderzoek, uitgevoerd op nieuwsredacties van NOS, FD Mediagroep en de Volkskrant en verder aangevuld met beleidsstukken, notities, interviews en verkregen chatsessies van redactiemedewerkers. Als derde en laatste onderdeel bevat het werk een zestal aanbevelingen die iedere journalist en nieuwsorganisatie ter harte zou moeten nemen.

Aandacht voor de ander & verandering
Een van die wat mij betreft belangrijkste aanbevelingen – besteedt aandacht aan verandermanagement – heeft feitelijk niets met de journalistiek als professie te maken. Dat dit uberhaupt een aanbeveling is, zou pijn moeten doen. Het toont de tekortkoming, de onkunde en wellicht ook de onwil van een beroepsgroep om aan eerlijke zelfreflectie te doen. Ik vind het stuitend dat een beroepsgroep die het gewend is anderen de maat te nemen, normaliter oorzaken en gevolgen vanuit verschillende perspectieven onderzoekt en op zoek zegt te zijn naar ‘de waarheid’, dezelfde ethiek niet op de eigen professie van toepassing acht. Of op z’n minst probeert toe te passen. Tameling merkt hier over op:

 “Het is een veelvoorkomend probleem in veranderingsprocessen, dat het juist de leiding ontbreekt aan het effectief toe kunnen passen van nieuwe inzichten over de eigen organisatie. Zij zitten namelijk net als de rest van de redactie gevangen in het patroon dat ze zelf willen doorbreken. Deze leidinggevenden zijn eveneens het resultaat van jarenlange (traditionele) professionalisering.“

Problematisch daarbij is dat blijkt dat alleen leiders met een traditioneel journalistieke achtergrond worden geaccepteerd in eigen kring, maar dat deze mensen juist met leidinggeven geen ervaring hebben, en met vernieuwing vaak weinig affiniteit. Het zijn dit soort dilemma’s in combinatie met een beperkt referentiekader en oud paradigma-denken waarmee de journalistieke industrie zichzelf in een wurggreep houdt. En alhoewel Tameling goed afstand weet te bewaren, zijn er in ieder geval twee momenten in het boek waarin ze zelf ook aannames doet vanuit het ‘oude paradigma-denken’, die verder niet worden onderbouwd:

  1. “Wat nieuw en anders is aan online media is dat de journalisten direct inzicht hebben in alle statistieken en dus in de daadwerkelijke behoefte van het publiek.”
  2. “In een journalistieke omgeving staat een ‘u vraagt, wij draaien’-strategie bovendien haaks op de professionele – controlerende en democratische – uitgangspunten van de journalistiek. “

De eerste bewering is gewoonweg te kort door de bocht. De tweede bewering impliceert niet dat het een het ander uitsluit. Met de uitnodiging aan het publiek om aan te geven aan welke onderwerpen of extra informatie het behoefte heeft, geeft de journalist niet automatisch ook zijn eigen inzicht, vrijheid, beoordelingsvermogen en onpartijdigheid op. Het kennen van de behoefte, en het in dialoog gaan met het publiek, zijn wat mij betreft twee van die routines die de journalist zich eigen dient te maken om relevantie te behouden, en waarmee de professionele uitgangspunten en journalistieke missie behouden blijven.

Geen unieke positie meer
Het gegeven dat in dit tijdperk zowel de journalist als de journalistiek in het algemeen niet (meer) in een unieke positie verkeert, is tot de industrie zelf nog maar weinig doorgedrongen. Tameling spreekt van een Calimero-complex bij online-redacteuren. Je kunt hier direct aan toevoegen dat de meer traditionele journalist tegelijkertijd lijdt aan een God-complex. Voor een buitenstaander is na het lezen van werk het van Tameling eenvoudig te constateren dat de industrie klassieke fout op klassieke fout begaat:

  1. Journalistieke organisaties zijn niet bijzonder of uniek in het kijken naar en aanpakken van de huidige, 21e eeuwse problemen en crises.
  2. Alhoewel de problemen legio zijn en ze beroepsspecifiek lijken, worden ze net als in andere industrieën vooral verkeerd begrepen, worden er onjuiste oorzaken geïdentificeerd, verkeerde conclusies getrokken en acties ondernomen die zowel in woord als daad vaag en ondoordacht zijn.
  3. De geschetste oplossingen bij de drie redacties zijn in ambitie even groot als in onduidelijkheid. Hoe wat door wie bewerkstelligd dient te worden (en wat als succesvol wordt beschouwd), blijft voor vrijwel alle medewerkers, op welk van de drie onderzochte redacties dan ook, vaak onduidelijk, en daarmee wordt het nieuwe convergente werken dan ook voornamelijk als onbevredigend en frustrerend ervaren.
  4. Nieuwe denkwijzen, ontwikkelingen en factoren van invloed worden onderschat of niet gezien.

Dit laatste punt is het best te illustreren met een opgetekende opmerking van een internetredacteur van de Volkskrant:

“Een van Remarque’s eerste interviews was een duo-interview samen met Vandermeersch in De Morgen. Dat heb ik vol verbazing gelezen. Hij zei dingen als: “Internet heeft gewoon een Teletekstfunctie, het is koppen snellen.” In mijn optiek ondermijn je dan gewoon een hele generatie die niet is geabonneerd op een krant. Het klinkt ontzettend hautain en eigenlijk ook een beetje dom want dan heb je je er totaal niet in verdiept.”

Naast ‘een beetje dom’ zijn en het ondermijnen van het eigen en potentiele (online) leespubliek, diskwalificeert de hoofdredacteur van de Volkskrant hiermee ook een deel van zijn eigen medewerkers.

Een journalist lost niet op
Op een andere manier exemplarisch voor het negeren van mogelijkheden of niet buiten het eigen perspectief kunnen kijken, zijn een aantal eerdere recensies op het proefschrift, dat Tameling op haar werk ontvangt vanuit journalistieke kring. Zo heeft The Post Online duidelijk geen oog voor een belangrijk onderdeel van het onderzoek: de genuanceerde kijk op het ambidextrous design. Chris Aalberts komt niet verder dan een korte termijn-oplossing voor het, inderdaad, intern gepercipieerde probleem van financiering. Hij schrijft:

“Redacties kunnen dus wel creatiever moeten zijn en een hogere dunk van online journalistiek hebben, maar wat als die creativiteit geen geld oplevert? Dan ben je toch weer terug bij het oude idee dat je de beste en creatiefste ideeën niet gratis online weggeeft maar in de krant zet, want daar betalen mensen voor. Of de krantenoplages dalen of niet, je verdient dan ten minste wat.”

Alexander Pleijer schrijft op Villamedia:

“De vele voorbeelden waarmee Tameling kwistig strooit zijn veelzeggend […] Eigenlijk zou je er beeld bij willen zien. Je zou het ze willen horen zeggen. Een documentaire, dat zou een mooie vorm zijn.”

Pleijter geeft hier wat mij betreft indirect aan liever naar zichzelf en de zijnen te willen kijken in een documentaire, dan werkelijk de problemen onder ogen te komen, met de billen bloot te gaan, en vervolgens oplossingen te bedenken waarmee de beroepsgroep zijn relevantie hervindt en blijft waarborgen.

Paradigma’s en innovator’s dilemma’s
Je zou kunnen beweren dat geen enkele traditionele industrie opgewassen is om goed uit een paradigma-verschuiving te komen. IBM en Mountain Dew zijn misschien een paar van de weinige voorbeelden. Maar de journalistiek had op zijn minst lering uit andere industrieën kunnen trekken om om te gaan met het zogeheten innovator’s dilemma. Men heeft niet tijdig erkend dat het vakgebied structureel aan het veranderen was, heeft niet kritisch naar zichzelf gekeken en is niet met open vizier naar buiten gegaan. Andere industrieën die hen voorgingen, en om soortgelijke redenen naar relevantie en bestaansrecht zochten, hadden kunnen inspireren, nieuwe ideeën helpen valideren en kunnen bijdragen aan het herpositioneren van de nieuwsindustrie. Bedenk eens wat men had kunnen leren van de muziekindustrie ten tijde van Napster, de iPod en Spotify? Wat van de lessen bruikbaar was geweest uit de reisbranche (Booking.com, AirBnb), de fashionwereld (bloggers, Zara, Zalando), de industrie voor audiovisueel entertainment (HBO, NetFlix, Amazon) of de vervoersmarkt (Lyft, Uber)? Misschien is het nog niet te laat…

Hoopgevende initiatieven
Dat zowel traditionele als pas opgerichte nieuwsorganisaties in ieder geval –en gelukkig maar- blijven experimenteren, is te zien aan de meer recente nieuwsproducten, -services en one off producties. Een niet-representatieve greep uit verschillende service-gerichte benaderingen die de gebruiker meer centraal stellen: het ontbundelen van content door blendle, de plannen van DeCorrespondent om van de lezers-community ‘leken-experts’ te maken en NOS Nieuws die vier soorten nieuwsbehoeften heeft gedefinieerd en op basis daarvan het nieuws selecteert (onderwerp), verwerkt & produceert (invalshoek, medium) en passend publiceert (kanaal en groep). Een ander initiatief dat hoopgaf maar halverwege 2015 sneuvelde was de samenwerking van vrijwel alle Nederlandse nieuwsuitgevers (behalve NRC) in Newz BV. Ook de radicale vernieuwing en exploratie die TMG met zijn Startups-initiatief zocht is ondertussen afgebroken: het project is ter ziele. De Persgroep probeert met haar shovelware-app Paper vooral nieuwe inkomsten uit voornamelijk bestaande content te genereren, maar dit zal de benodige vernieuwing en relevantie op lange termijn waarschijnlijk niet brengen. NRC Q biedt nieuws op maat gemaakt voor een niche doelgroep, met een andere toon, via bekende digitale en experimentele kanalen (o.a. nieuwsbrief, eigen site en Whatsapp). Eenmalige experimenten met meer multimediale content en veel aandacht voor design, zijn te vinden bij de Volkskrant met de zorg-flexread en bij NRC Handelsblad met de Berrie.

 

Een nieuw perspectief: design thinking
Maar het is allemaal nog niet voldoende… Want naast Tamelings aanbevelingen voor het blijven experimenteren, samenwerken tussen organisaties, het samenstellen van interdisciplinaire teams en aandacht hebben voor verandermanagement, moet er meer gebeuren. En dat is: gebruik maken van de buitenwereld. Dat kan methodisch, door vanuit een nieuw perspectief te denken, kijken en te werken. Vanuit mijn eigen professie, die van user experience design, ben ik ervan overtuigd dat er door zogeheten design thinking methodes veel relevantere, rijkere en levensvatbare oplossingen kunnen worden gevonden voor de journalistiek. Tegelijkertijd realiseer ik me hierbij dat ook dit perspectief niet volledig en/of toereikend zal zijn om de crisis waarin journalistieke organisaties verkeren het hoofd te bieden. Maar een frisse blik levert het op z’n minst…

Start with the user

Een mooi perspectief en aanknopingspunt dat Tameling hiervoor biedt is het zogeheten ‘ambidextrous design’ als oplossing voor het innovator’s dilemma: hoe kun je blijven doen waar je goed in bent, terwijl je weet dat dat op een gegeven niet meer werkt? Wanneer enerzijds de oude manier van werken genoeg oplevert en wanneer onduidelijk is wat de nieuwere transities zullen betekenen en opleveren, wat doe je dan als organisatie? Ambidexterity heeft te maken met het vermogen van een organisatie om te kunnen wedden op twee paarden: die van exploitatie en die van exploratie; een design thinker kan helpen beide zijden van het ambidexterity-model te combineren door een feedback-loop te creëren: incrementeel vernieuwen aan de (bestaande) exploitatie-kant en radicaal ontwikkelen op de (nieuwe) exploratie-zijde. En dit continu op elkaar afstemmen, met de juiste vragen, hypotheses, doelen en metrics for success. Om dit proces doordacht te gaan doorlopen, zou ik als designer de volgende stappen willen adviseren:

  1. Start eens met je eindgebruiker
  2. Ontdek de behoeften van je gebruiker samen met medewerkers uit alle geledingen van de organisatie
  3. Hanteer hierbij de zogeheten design thinking-methodes van Stanford’s d.school, in de opeenvolgende fases ‘empathize – define – ideate – prototye – test

Wie zijn de deelgenoten van de toekomst?
Voor mij heeft Klaske Tameling met haar promotie-onderzoek naast de aanbevelingen en nieuwe inzichten ook aanknopingspunten geboden voor niet-journalisten, zoals o.a. designers. Voor een ieder die geïnteresseerd is in de journalistiek, zowel in het beroep, de industrie als in de toekomst ervan, biedt haar werk een bijzonder fraaie en unieke inkijk. Een specifiek tijdsdocument van een industrie met traditionele spelers die hun relevantie en positie proberen te hervinden in een voor hen veranderende omgeving. Of we met dit etnografisch onderzoek ook getuige zijn geweest van de laatste stuiptrekkingen van een aantal traditionele organisaties die, de inspanningen ten spijt, straks overbodig blijken te zijn, of dat we van dichtbij de conceptie hebben mogen bijwonen van een nieuwe en futureproof nieuwsorganisatie; dat valt nog te bezien. Een ding is voor mij wel zeker: de journalistiek zal zelf niet met een oplossing komen. Als ze opletten, zullen de gebruikers hen daarover informeren.

Over de schrijver van deze blogpost
Als kersverse researchfellow van het lectoraat Crossmediale Kwaliteitsjournalistiek houd ik, Laurens Vreekamp (digital native) me bezig met onderzoek naar data-informed design decisions bij de totstandkoming van nieuwsproducties en de ontwikkeling van journalistieke diensten en services. Mijn interesse in, ervaring met en ideeën over de journalistiek houden mij als designer al meer dan 10 jaar bezig: mijn masterthesis behandelde het onderwerp hybrid journalism (2003), ik werkte een aantal jaar voor de publieke omroep (KRO), deed regie bij een Radio1-programma, ben coordinator van de HU-minor Future News Media, en richtte in 2013 samen met Erik van Gameren (NRC Handelsblad) nieuwsservice platform ‘immrs’ op.

wie zijn die gasten

“Kan er in een live-radioprogramma iets bijzonders ontstaan, door uit te gaan van een aantal ‘onbekende‘ factoren?”

Deze vraag stelde Leena, Adeline en ik onszelf, n.a.v. van het Grote Experiment voor Radio1. Als antwoord hierop hebben we het volgende concept bedacht en vandaag ingediend:

Werktitel: “Wie zijn die gasten”
Een live radio-interview met een onbekende gast, onbekende presentator en onbekende band. Om erachter te komen wie deze ‘spelers’ uiteindelijk zijn, wordt een queeste opgezet. Een avontuur voor alle spelers die betrokken zijn bij het programma: de redactie, de luisteraars, de interviewer en de gast. Zij krijgen aanwijzingen, opdrachten, informatie en andere mededelingen van de redactie om de queeste te vervullen. Uiteindelijk is de live-uitzending de culminatie van het avontuur. Hier komt alles (letterlijk) samen.

Meer lezen over de gehele invulling en opzet: http://docs.google.com/Doc?id=dckxjbb_34ftbpqjfn