En, wat doen we voor de gebruiker

Deze blogpost verscheen eerder op www.journalismlab.nl

“En, wat doen we voor de gebruiker?” is wat mij betreft de startvraag voor elke journalist, iedere nieuwsorganisatie en -professional die relevant wil zijn en blijven in dit tijdperk.

De werkelijke crisis van de journalistiek
Maar het is juist een vraag die keihard ontbreekt in de journalistieke industrie, wanneer er gedebatteerd wordt over de toekomst van de professie. Het publiek – de lezer, kijker en/of gebruiker van nieuws- speelt een marginale rol in het denken en wordt hoogstens als instrumenteel gezien en niet of nauwelijks betrokken bij nieuwe plannen.

Uit een recent promotie-onderzoek van Klaske Tameling naar crossmediale dilemma’s op Nederlandse nieuwsredacties blijkt dat wordt gekeken naar problemen en oplossingen vanuit voornamelijk interne perspectieven. De buitenwereld lijkt niet echt binnen te dringen in de traditionele journalistiek. De mensen die wel een nieuw perspectief kunnen bieden, worden als tweederangs gezien of genegeerd, en naar gebruikers of niet-journalisten wordt alleen geluisterd als het geluid bekend is of bevalt. Een recipe for disaster waarmee iedere gezonde kritiek wordt uitgeschakeld en kansen op overleving geminimaliseerd worden.

Veranderende routines betekent verdwijnende organisaties
Wat blijkt nog meer: journalistiek werk blijft nodig, maar de manier van organiseren is toe aan verandering door nieuwe ritmes, overvloed in plaats van schaarste en door cultureel-maatschappelijke veranderingen. Wetenschapper Jo Bardoel, zo haalt Tameling aan, stelt dat de maatschappelijke missie van de journalistiek onveranderd blijft. Wat verandert zijn de routines.

En om die routines aan te passen aan de huidige maatschappij zou de journalistiek wat mij als designer betreft toch eens moeten beginnen met luisteren, kijken, vragen en zoeken buiten de eigen veilige groep. 

boekcover

En, hoe convergeren ze?
Tot op de dag van vandaag staat ‘verandering’ voor veel journalistieke professionals gelijk aan ‘crisis’. Wat de industrie zelf als aanleiding voor problemen, veranderingen en oplossingen zag in de periode 2007-2011, en hoe daar op ingespeeld werd, beschrijft Tameling in haar onlangs verschenen proefschrift ‘En wat doen we online? Crossmediale dilemma’s op de Nederlandse nieuwsredactie’:

“De traditionele journalistieke cultuur en dus de onderliggende gemeenschappelijke ideologie, wordt door economische, culturele en technologische ontwikkelingen ter discussie gesteld. Maar het punt is niet, zoals Deuze beargumenteert, dat er iets mis zou zijn met die traditionele professie. De veranderende maatschappij maakt een heroverweging van de journalistieke professie echter noodzakelijk om uiteindelijke relevant te blijven.”

Fraai tijdsdocument voor context, begrip en verbazing
Tameling weet de implicaties van die heroverwegingen voor het dagelijks werk op de nieuwsvloer goed te treffen met haar proefschrift. Het biedt een rijk overzicht aan bestaande literatuur over, en onderzoek naar de journalistieke industrie en context. Vervolgens wordt deze metastudie gecombineerd met eigen etnografisch onderzoek, uitgevoerd op nieuwsredacties van NOS, FD Mediagroep en de Volkskrant en verder aangevuld met beleidsstukken, notities, interviews en verkregen chatsessies van redactiemedewerkers. Als derde en laatste onderdeel bevat het werk een zestal aanbevelingen die iedere journalist en nieuwsorganisatie ter harte zou moeten nemen.

Aandacht voor de ander & verandering
Een van die wat mij betreft belangrijkste aanbevelingen – besteedt aandacht aan verandermanagement – heeft feitelijk niets met de journalistiek als professie te maken. Dat dit uberhaupt een aanbeveling is, zou pijn moeten doen. Het toont de tekortkoming, de onkunde en wellicht ook de onwil van een beroepsgroep om aan eerlijke zelfreflectie te doen. Ik vind het stuitend dat een beroepsgroep die het gewend is anderen de maat te nemen, normaliter oorzaken en gevolgen vanuit verschillende perspectieven onderzoekt en op zoek zegt te zijn naar ‘de waarheid’, dezelfde ethiek niet op de eigen professie van toepassing acht. Of op z’n minst probeert toe te passen. Tameling merkt hier over op:

 “Het is een veelvoorkomend probleem in veranderingsprocessen, dat het juist de leiding ontbreekt aan het effectief toe kunnen passen van nieuwe inzichten over de eigen organisatie. Zij zitten namelijk net als de rest van de redactie gevangen in het patroon dat ze zelf willen doorbreken. Deze leidinggevenden zijn eveneens het resultaat van jarenlange (traditionele) professionalisering.“

Problematisch daarbij is dat blijkt dat alleen leiders met een traditioneel journalistieke achtergrond worden geaccepteerd in eigen kring, maar dat deze mensen juist met leidinggeven geen ervaring hebben, en met vernieuwing vaak weinig affiniteit. Het zijn dit soort dilemma’s in combinatie met een beperkt referentiekader en oud paradigma-denken waarmee de journalistieke industrie zichzelf in een wurggreep houdt. En alhoewel Tameling goed afstand weet te bewaren, zijn er in ieder geval twee momenten in het boek waarin ze zelf ook aannames doet vanuit het ‘oude paradigma-denken’, die verder niet worden onderbouwd:

  1. “Wat nieuw en anders is aan online media is dat de journalisten direct inzicht hebben in alle statistieken en dus in de daadwerkelijke behoefte van het publiek.”
  2. “In een journalistieke omgeving staat een ‘u vraagt, wij draaien’-strategie bovendien haaks op de professionele – controlerende en democratische – uitgangspunten van de journalistiek. “

De eerste bewering is gewoonweg te kort door de bocht. De tweede bewering impliceert niet dat het een het ander uitsluit. Met de uitnodiging aan het publiek om aan te geven aan welke onderwerpen of extra informatie het behoefte heeft, geeft de journalist niet automatisch ook zijn eigen inzicht, vrijheid, beoordelingsvermogen en onpartijdigheid op. Het kennen van de behoefte, en het in dialoog gaan met het publiek, zijn wat mij betreft twee van die routines die de journalist zich eigen dient te maken om relevantie te behouden, en waarmee de professionele uitgangspunten en journalistieke missie behouden blijven.

Geen unieke positie meer
Het gegeven dat in dit tijdperk zowel de journalist als de journalistiek in het algemeen niet (meer) in een unieke positie verkeert, is tot de industrie zelf nog maar weinig doorgedrongen. Tameling spreekt van een Calimero-complex bij online-redacteuren. Je kunt hier direct aan toevoegen dat de meer traditionele journalist tegelijkertijd lijdt aan een God-complex. Voor een buitenstaander is na het lezen van werk het van Tameling eenvoudig te constateren dat de industrie klassieke fout op klassieke fout begaat:

  1. Journalistieke organisaties zijn niet bijzonder of uniek in het kijken naar en aanpakken van de huidige, 21e eeuwse problemen en crises.
  2. Alhoewel de problemen legio zijn en ze beroepsspecifiek lijken, worden ze net als in andere industrieën vooral verkeerd begrepen, worden er onjuiste oorzaken geïdentificeerd, verkeerde conclusies getrokken en acties ondernomen die zowel in woord als daad vaag en ondoordacht zijn.
  3. De geschetste oplossingen bij de drie redacties zijn in ambitie even groot als in onduidelijkheid. Hoe wat door wie bewerkstelligd dient te worden (en wat als succesvol wordt beschouwd), blijft voor vrijwel alle medewerkers, op welk van de drie onderzochte redacties dan ook, vaak onduidelijk, en daarmee wordt het nieuwe convergente werken dan ook voornamelijk als onbevredigend en frustrerend ervaren.
  4. Nieuwe denkwijzen, ontwikkelingen en factoren van invloed worden onderschat of niet gezien.

Dit laatste punt is het best te illustreren met een opgetekende opmerking van een internetredacteur van de Volkskrant:

“Een van Remarque’s eerste interviews was een duo-interview samen met Vandermeersch in De Morgen. Dat heb ik vol verbazing gelezen. Hij zei dingen als: “Internet heeft gewoon een Teletekstfunctie, het is koppen snellen.” In mijn optiek ondermijn je dan gewoon een hele generatie die niet is geabonneerd op een krant. Het klinkt ontzettend hautain en eigenlijk ook een beetje dom want dan heb je je er totaal niet in verdiept.”

Naast ‘een beetje dom’ zijn en het ondermijnen van het eigen en potentiele (online) leespubliek, diskwalificeert de hoofdredacteur van de Volkskrant hiermee ook een deel van zijn eigen medewerkers.

Een journalist lost niet op
Op een andere manier exemplarisch voor het negeren van mogelijkheden of niet buiten het eigen perspectief kunnen kijken, zijn een aantal eerdere recensies op het proefschrift, dat Tameling op haar werk ontvangt vanuit journalistieke kring. Zo heeft The Post Online duidelijk geen oog voor een belangrijk onderdeel van het onderzoek: de genuanceerde kijk op het ambidextrous design. Chris Aalberts komt niet verder dan een korte termijn-oplossing voor het, inderdaad, intern gepercipieerde probleem van financiering. Hij schrijft:

“Redacties kunnen dus wel creatiever moeten zijn en een hogere dunk van online journalistiek hebben, maar wat als die creativiteit geen geld oplevert? Dan ben je toch weer terug bij het oude idee dat je de beste en creatiefste ideeën niet gratis online weggeeft maar in de krant zet, want daar betalen mensen voor. Of de krantenoplages dalen of niet, je verdient dan ten minste wat.”

Alexander Pleijer schrijft op Villamedia:

“De vele voorbeelden waarmee Tameling kwistig strooit zijn veelzeggend […] Eigenlijk zou je er beeld bij willen zien. Je zou het ze willen horen zeggen. Een documentaire, dat zou een mooie vorm zijn.”

Pleijter geeft hier wat mij betreft indirect aan liever naar zichzelf en de zijnen te willen kijken in een documentaire, dan werkelijk de problemen onder ogen te komen, met de billen bloot te gaan, en vervolgens oplossingen te bedenken waarmee de beroepsgroep zijn relevantie hervindt en blijft waarborgen.

Paradigma’s en innovator’s dilemma’s
Je zou kunnen beweren dat geen enkele traditionele industrie opgewassen is om goed uit een paradigma-verschuiving te komen. IBM en Mountain Dew zijn misschien een paar van de weinige voorbeelden. Maar de journalistiek had op zijn minst lering uit andere industrieën kunnen trekken om om te gaan met het zogeheten innovator’s dilemma. Men heeft niet tijdig erkend dat het vakgebied structureel aan het veranderen was, heeft niet kritisch naar zichzelf gekeken en is niet met open vizier naar buiten gegaan. Andere industrieën die hen voorgingen, en om soortgelijke redenen naar relevantie en bestaansrecht zochten, hadden kunnen inspireren, nieuwe ideeën helpen valideren en kunnen bijdragen aan het herpositioneren van de nieuwsindustrie. Bedenk eens wat men had kunnen leren van de muziekindustrie ten tijde van Napster, de iPod en Spotify? Wat van de lessen bruikbaar was geweest uit de reisbranche (Booking.com, AirBnb), de fashionwereld (bloggers, Zara, Zalando), de industrie voor audiovisueel entertainment (HBO, NetFlix, Amazon) of de vervoersmarkt (Lyft, Uber)? Misschien is het nog niet te laat…

Hoopgevende initiatieven
Dat zowel traditionele als pas opgerichte nieuwsorganisaties in ieder geval –en gelukkig maar- blijven experimenteren, is te zien aan de meer recente nieuwsproducten, -services en one off producties. Een niet-representatieve greep uit verschillende service-gerichte benaderingen die de gebruiker meer centraal stellen: het ontbundelen van content door blendle, de plannen van DeCorrespondent om van de lezers-community ‘leken-experts’ te maken en NOS Nieuws die vier soorten nieuwsbehoeften heeft gedefinieerd en op basis daarvan het nieuws selecteert (onderwerp), verwerkt & produceert (invalshoek, medium) en passend publiceert (kanaal en groep). Een ander initiatief dat hoopgaf maar halverwege 2015 sneuvelde was de samenwerking van vrijwel alle Nederlandse nieuwsuitgevers (behalve NRC) in Newz BV. Ook de radicale vernieuwing en exploratie die TMG met zijn Startups-initiatief zocht is ondertussen afgebroken: het project is ter ziele. De Persgroep probeert met haar shovelware-app Paper vooral nieuwe inkomsten uit voornamelijk bestaande content te genereren, maar dit zal de benodige vernieuwing en relevantie op lange termijn waarschijnlijk niet brengen. NRC Q biedt nieuws op maat gemaakt voor een niche doelgroep, met een andere toon, via bekende digitale en experimentele kanalen (o.a. nieuwsbrief, eigen site en Whatsapp). Eenmalige experimenten met meer multimediale content en veel aandacht voor design, zijn te vinden bij de Volkskrant met de zorg-flexread en bij NRC Handelsblad met de Berrie.

 

Een nieuw perspectief: design thinking
Maar het is allemaal nog niet voldoende… Want naast Tamelings aanbevelingen voor het blijven experimenteren, samenwerken tussen organisaties, het samenstellen van interdisciplinaire teams en aandacht hebben voor verandermanagement, moet er meer gebeuren. En dat is: gebruik maken van de buitenwereld. Dat kan methodisch, door vanuit een nieuw perspectief te denken, kijken en te werken. Vanuit mijn eigen professie, die van user experience design, ben ik ervan overtuigd dat er door zogeheten design thinking methodes veel relevantere, rijkere en levensvatbare oplossingen kunnen worden gevonden voor de journalistiek. Tegelijkertijd realiseer ik me hierbij dat ook dit perspectief niet volledig en/of toereikend zal zijn om de crisis waarin journalistieke organisaties verkeren het hoofd te bieden. Maar een frisse blik levert het op z’n minst…

Start with the user

Een mooi perspectief en aanknopingspunt dat Tameling hiervoor biedt is het zogeheten ‘ambidextrous design’ als oplossing voor het innovator’s dilemma: hoe kun je blijven doen waar je goed in bent, terwijl je weet dat dat op een gegeven niet meer werkt? Wanneer enerzijds de oude manier van werken genoeg oplevert en wanneer onduidelijk is wat de nieuwere transities zullen betekenen en opleveren, wat doe je dan als organisatie? Ambidexterity heeft te maken met het vermogen van een organisatie om te kunnen wedden op twee paarden: die van exploitatie en die van exploratie; een design thinker kan helpen beide zijden van het ambidexterity-model te combineren door een feedback-loop te creëren: incrementeel vernieuwen aan de (bestaande) exploitatie-kant en radicaal ontwikkelen op de (nieuwe) exploratie-zijde. En dit continu op elkaar afstemmen, met de juiste vragen, hypotheses, doelen en metrics for success. Om dit proces doordacht te gaan doorlopen, zou ik als designer de volgende stappen willen adviseren:

  1. Start eens met je eindgebruiker
  2. Ontdek de behoeften van je gebruiker samen met medewerkers uit alle geledingen van de organisatie
  3. Hanteer hierbij de zogeheten design thinking-methodes van Stanford’s d.school, in de opeenvolgende fases ‘empathize – define – ideate – prototye – test

Wie zijn de deelgenoten van de toekomst?
Voor mij heeft Klaske Tameling met haar promotie-onderzoek naast de aanbevelingen en nieuwe inzichten ook aanknopingspunten geboden voor niet-journalisten, zoals o.a. designers. Voor een ieder die geïnteresseerd is in de journalistiek, zowel in het beroep, de industrie als in de toekomst ervan, biedt haar werk een bijzonder fraaie en unieke inkijk. Een specifiek tijdsdocument van een industrie met traditionele spelers die hun relevantie en positie proberen te hervinden in een voor hen veranderende omgeving. Of we met dit etnografisch onderzoek ook getuige zijn geweest van de laatste stuiptrekkingen van een aantal traditionele organisaties die, de inspanningen ten spijt, straks overbodig blijken te zijn, of dat we van dichtbij de conceptie hebben mogen bijwonen van een nieuwe en futureproof nieuwsorganisatie; dat valt nog te bezien. Een ding is voor mij wel zeker: de journalistiek zal zelf niet met een oplossing komen. Als ze opletten, zullen de gebruikers hen daarover informeren.

Over de schrijver van deze blogpost
Als kersverse researchfellow van het lectoraat Crossmediale Kwaliteitsjournalistiek houd ik, Laurens Vreekamp (digital native) me bezig met onderzoek naar data-informed design decisions bij de totstandkoming van nieuwsproducties en de ontwikkeling van journalistieke diensten en services. Mijn interesse in, ervaring met en ideeën over de journalistiek houden mij als designer al meer dan 10 jaar bezig: mijn masterthesis behandelde het onderwerp hybrid journalism (2003), ik werkte een aantal jaar voor de publieke omroep (KRO), deed regie bij een Radio1-programma, ben coordinator van de HU-minor Future News Media, en richtte in 2013 samen met Erik van Gameren (NRC Handelsblad) nieuwsservice platform ‘immrs’ op.

de mario blog

Bron: http://newspaperdesign.ning.com/

Het zal niemand ontgaan zijn, maar ik heb een hernieuwde interesse in journalistiek -mede dankzij studenten van de SVJ.

De praktische visie
En zo viel mijn oog afgelopen zaterdag extra op de Media-bijlage van NRC Handelsblad. Met daarin een erg interessant -en veel te kort- interview met een dagblad-ontwerper. Had ik eigenlijk nooit zo bij stil gestaan, dat iemand die specifieke functie kan hebben. En het was niet een ontwerper, maar de, naar zo bleek: Mario Garcia. De beste man is 64 jaar, per definitie geen digital native, maar hij heeft een haarscherpe, realistische kijk op de toekomst van media en nieuws, en eentje die past binnen mijn eigen straatje. Wel zo makkelijk. En niks einde van papier.

De man heeft al zo’n 578 kranten een nieuw uiterlijk gegeven, en is duidelijk over de toekomst van dagbladen: print, online, mobiel en tablet. Het is en en en en. Helemaal mee eens.

De harde cijfers
En in ditzelfde weekend kwam ik een newspaper-statistiekje tegen in The Economist:

Via The Economist

Check ook de bijbehorende facts eens:

  • Tussen 2006 en 2010 23% minder advertentie-inkomsten
  • Meer krantenlezers dan internetlezers
  • Er zijn wereldwijd 200 nieuwe titels bijgekomen
  • Titels zijn duurder geworden

Bron: http://www.economist.com/node/21532315.

Als je dit zo leest en ziet, en bedenkt wat Mario zegt en The Economist toont, waar liggen dan de kansen?

“wij zijn de voorkant”

Vorige week vroeg ik 3e/4e-jaars studenten van de School voor Journalistiek waarom ze bezig zijn met de toekomst van nieuwsmedia. Uit hun eerdere opmerkingen, en door mij gedeelde cijfers uit het blad Mediafacts, blijkt die hele dode-bomen-discussie statistisch vooralsnog irrelevant. Een student verwoorde mijn vraag alsvolgt in deze tweet.

Geen vragen? Geen les!
Dus… waarom dan toch interesse tonen? Nadat er meerdere relevante argumenten door de studenten waren opgeworpen, kon Future Newsmedia – les 2 (zie ook onderaan) beginnen.

Wat doen journalisten anno 2011?
Afgelopen woensdag vroeg ik dezelfde groep studenten wat journalistiek-studenten anno 2011 onderscheidt van oudere journalisten, communicatie-studenten en/of amateurs. Een greep uit de antwoorden, vrijelijk geinterpreteerd en gequote:

“Als journalist ben je nieuws- en leergierig”. “Wij lezen nog kranten”. “Wij zijn de voorkant”.

Er bleken in deze groep 2 kampen te bestaan, waarbij het ene kamp nieuwsgierig naar de mogelijkheden kijkt die technologie (zowel soft- als hardware) met zich meebrengen, en deze ook willen benutten. Het andere kamp verwacht dat het journalistieke werk niet zoveel verandert, maar dat er over 10 of 50 jaar wel wezenlijke verschillen zijn t.o.v. de professie van vandaag. Desalniettemin zijn beide kampen nieuwsgierig.En dat uitgangspunt lijkt me het belangrijkst.

Na enig overdenken, denk ik niet dat journalisten de ‘voorkant’ vertegenwoordigen van het (nieuws)-journalistieke landschap, maar misschien wel meer de ‘binnenkant’: de inhoud / de content zelf. En dat is natuurlijk niets nieuws, maar wel een fijn besef.

Vraagje:
Beste journalisten: zijn jullie inderdaad de binnenkant? Overtuig maar…

Hieronder les 2 en les 3.



“We take the side of the people”

Afgelopen donderdag (15 sept. 2011) was ik aanwezig op de Emerce Eday in de Van Nellefabriek in Rotterdam. De meeste sprekers hadden het over vertrouwen, angst en mensen. Op zijn minst opmerkelijk voor een online business & marketing – conferentie…

“People trust people”

Een spreker die voor mij het beste verhaal had, was Ousama Itani , senior analyst in Al Jazeera’s New Media Department. In 15 minuten liet hij ons zien hoe Al Jazeera de ‘Arab Spring’ coverde. “We take the side of the people” – aldus Itani.

Daarbij horen 3 vragen:

1. How do people / your audience consume news?

2. On what platform ?

3. Where are they  – at home, office, on the streets,etc.?

“Facilitator of communication”
Tijdens de verschillende protesten in landen als Egypte en Tunesie, gedroeg Al Jazeera zich als ‘facilitator of communication”. Er ontstond een ‘new(s) ecosystem’: we hielden Twitter in de gaten (bijv hashtags #sidibouzid , #tunesia en #jan25 ), luisterden naar ons publiek en zetten een scala aan (nieuwe) media kanalen en technologieen in: scribblelive (live-event coverage, evt. anoniem), live-stream van Al Jazeera online, tumblr sites op aanvraag van het publiek.

‘Brand the revolution’
Sponsored Facebook-advertenties en Promoted tweets werden ingezet om Al Jazeera-tweets bovenaan Twitter-searches te krijgen. Daarnaast was het op Twitter belangrijk om de revolutie ook te ‘branden’: #jan25 was kort, helder en krachtig – “helps great for participation”, aldus Itani, “and drives the conversation”.

(information - noise) + context = accurate reporting

Dit is volgens Itani de formule om tijdens bijv. revoluties een waardevolle (nieuws)bron voor ‘the people’ te zijn.

remarkable side-effect
Op een gegeven moment werd facebook afgesloten in de revolutie-landen, en ook Al Jazeera werd geblokkeerd op tv. Gevolg: meer mensen de straat op.

Bron: http://www.boyreporter.ca

Volg de juiste kanalen
Het luisteren naar de straat, het volgen van people’s tweets, Al Jazeera’s eigen micro-reporting op Twitter en live-blogging voor de langere verhalen, leidde uiteindelijk tot meer kijkers voor het Al Jazeera-tv-kanaal.

Itani sloot af met een American-style tagline: “reporting a revolution needs a reporting revolution”. En niet Twitter is key, maar de mensen. Een fout die Techcrunch volgens hem wel maakte: “The Tunesian Revolution wasn’t televised, but you could follow it on Twitter” Itani’s repliek: the revolution was televised, you were just watching the wrong channel!” 

future newsmedia

“We hebben je al gegoogle’d hoor”

Sinds deze week heb ik het voorrecht om met ‘nieuwe’ journalistiek te experimenteren. Samen met een groep jonge, aanstormende journalistiek-studenten van de Hogeschool Utrecht, gaan we 5 a 6 weken lang kijken wat nieuwere media kunnen betekenen voor het uitoefenen van hun professie. Toen ik had bedacht dat ik mezelf niet ging voorstellen, maar dat de studenten dit waarschijnlijk ter plekke konden opzoeken, kreeg ik bovenstaande reactie al direct. Kijk, dat zijn journalisten!

 

Als je wil leren zwemmen moet je ook nat worden
In overleg met studenten, Peter Paul Schmaal en Hubert Roza van de Journalistiek-opleiding van de HU, gaan we het volgende behandelen:

1. Wekelijks voorbeelden / cases behandelen en het (nieuws-)journalistieke landschap anno 2011 doornemen en in kaart brengen

2. experimenteren door zelf journalistiek te bedrijven binnen de beperkingen en wetten van een specifiek sociaal netwerk – denk aan Flickr, Google+, Facebook, Twitter, Linkedin en Foursquare

3. discussieren over:

  1. de kernwaarden van een journalist,
  2. de gereedschappen die hij/zij nu kan benutten, wanneer en waarom,
  3. de invloed van elke student op, en de plicht die hij/zij heeft binnen, het vak in de toekomst

 

Tijdens de kick-off afgelopen woensdag behandelden we het volgende:


Excuses voor de missing fonts, en daardoor vreemde typografie!

Tussenopdrachten
De komende tijd gaan we de docu “Page One – Inside the New York Times” bekijken, die precies de grote thema’s en crises van journalistiek, nieuws, media & technologie anno nu aan het licht brengt, vanuit het perspectief van (medewerkers van) The Gray Lady. Daarnaast heb ik een 6-tal boeken aangedragen:

  • ‘Free’ – Chris Anderson,
  • ‘Cognitive Surplus’ – Clay Shirky,
  • ‘Het museum als plek voor ideeen’ – Rutger Wolffson,
  • ‘We, the media’ – Dan Gillmor,
  • ‘Boeiuh’ – Rob Wijnberg en
  • ‘Sex, blogs & rock’n’roll’ – Ernst-Jan Pfauth.

Ben benieuwd wat de studenten hieruit halen aan extra info en inspiratie voor hun opdracht en over hun denken over het vak van journalist.

Eind-opdracht:
Elke student krijgt, in groepjes van 3, een eigen sociaal netwerk toegewezen, en gaat binnen dit netwerk op zoek naar items/onderwerpen, die specifiek daar naar voren komen. Voorwaarde: geen items over het sociaal netwerk an sich. De uiteindelijke publicatie moet crossmediaal zijn (waarbij minimaal 2 kanalen benut moeten worden, medium-specifiek).

Ben dan ook heel benieuwd naar jouw ideeen, opmerkingen en bijv. vragen die je voor ons hebt. Laat het hieronder weten, of via Twitter, Facebook, FourSquare, Google+, e-mail of wat dan ook.

nieuws: een kunstmatig slagveld

Nieuws maken en vinden op internet is helemaal hot. Zo heet zelfs, dat de Amerikanen – met veel gevoel voor retoriek – het hele fenomeen de term Newsreader Wars hebben meegegeven.

Voorbeelden van de verschillende “strijders” zijn digg.com, newsvine, GoogleNews, tailrank en reddit. Nederlandse nieuws-initiatieven schieten ook als paddestoelen uit de grond: 247nieuws.nl NieuwsZicht en DutchDirections

Waar vechten we voor?
Een nieuwe oorlog, maar met een klassieke vraag: moeten belangrijke beslissingen worden genomen door mensen, of laten we het over aan de machines. Vertaald naar nieuws komt dit neer op menselijk redactiewerk versus wiskundige formules.

If you can’t beat them…
Vooralsnog is de winnaar niet bekend, en er wordt dan ook volop geexperimenteerd met beide manieren. Waar veel technologen op dit moment hun geld op inzetten, is de combinatie van beide methoden. Waar de een (Rael Dornfest van O’Reilly Media) het heeft over artificial artificial intelligence, noemt de ander (Kevin Kelly) het consensus web filters.

Als het beestje maar een naam heeft
Het is in technologie-land gebruikelijk om voor alle emerging-fenomenen meteen maar een term te bedenken, dus na de relletjes over benamingen als RSS, Podcasting en Web2.0, kan dit er ook wel bij.

Kwaliteit volgt context
Waar het hier in principe om draait, is niet de vraag of de mens of de machine beter in staat is om nieuwswaarde te bepalen, maar om de vraag wanneer nieuws voor iemand relevant/interessant is. Is dit zo, wanneer veel mensen zeggen (“wisdom of crowds”) dat het relevant is, of wanneer een editor (de professional) het voor je bepaalt of juist wanneer een machine dit berekent op basis van jouw vooraf opgegeven voorkeuren?

Je mag het zelf bepalen!
Wat mij betreft wordt het uber-nieuwsoverzicht opgebouwd uit een combinatie van al bovenstaande manieren. Een aardig voorbeeld is popurls.com, die al de verschillende nieuwssites naast elkaar zet. Kun je mooi je eigen schifting maken.

Het is zoeken of maken
En mocht je het allemaal helemaal niet eens zijn met het nieuws dat je consumeert, dan kun je het nog altijd zelf produceren. Noem het participatie, noem het user-generated of iets met social en je hebt momentum. Een interessante visie van Tim Ziegel komt neer op het volgende: heel het internet bestaat volgens hem maar uit 2 opties: vinden of publiceren:

Think about it this way: Almost everything on the web that isn’t Google is a content management or publishing system. You’re either finding something (Google) or you’re publishing something. Ebay is nothing more than a content management system for posting what’s for sale and for how much. Flickr is a publishing system. MySpace is a publishing system.

Het “verzet” tegen de mainstream/traditionele media door webloggers, Web2.0-concepten en de nieuwe generatie newsreaders groeit gestaag. De mogelijkheden om zelf nieuws te publiceren (publishability) worden steeds groter. De tijd om bovengronds te gaan is aangebroken, en dus zullen de nerds, geeks en techies ook nieuwe, andere inhouden moeten toelaten tot het strijdtoneel. Want nieuws over technologie omwille van de technologie maakt zichzelf op den duur overbodig.

Update: aangepast op 24 maart 2006

arm(e-) laptop


Upload via Flickr: CampoDiPace.

Heeft de wereld dan eindelijk nieuws dat alleen maar goed kan zijn?

Het lijk er op, nu Prof. Nicholas Negroponte van het MIT erin is geslaagd om een laptop voor $100 te ontwikkelen. Hij draait op open-source software, heeft wifi and voip-diensten aan boord, en is uitgerust met een basis-set aan applicaties om tekst te verwerken, al spelend te leren, en een omgeving om zelf software te bouwen (geheel in de opensource geest uiteraard). Het grappige is dat hij niet op stroom of batterijen werkt, maar met een ouderwetse zwengel: een minuutje draaien levert 40 minuten power!

In een interview met Wired blijkt dat er feitelijk geen nadelen zijn aan dit hele project. Het MIT hoeft geen geld te verdienen en alle andere betrokken partijen zijn er mee geholpen: overheden, kinderen, onderwijsinstellingen en zelfs de mondiale tech-bedrijven die een groeimarkt zien in de Derde Wereld. Ook het opgroeien van een hele generatie met open-source software als weapon-of-choice, gecombineerd met hun aantal van miljarden gebruikers, kan in de toekomst nog weleens interessante verschuivingen van macht en focus in de wereld opleveren

Enige wat ik nog miste in het artikel, zijn de culturele implicaties van de straks plotselinge overweldigende aanwezigheid van laptops in landen waar analfabetisme, burgeroorlogen, maatschappelijke onrusten en andere conflicten aan de orde van de dag zijn. Hoe lang duurt het bijv. voordat de laptops door plaatselijke Warlords worden gebruikt?

Ik begrijp ook wel dat deze laptops zijn bedoeld om dit op lange termijn juist allemaal op te lossen… maar he, laten ze alsjeblieft wel een plan hebben voor wat te doen bij ‘oneigenlijk gebruik’!