Beter gebruik maken van audioviseel archiefmateriaal

“Ik zit de hele dag te CTRL+F‘en.”

De goede verstaander herkent het vast wel: lang zoeken op resultaatpagina’s naar die ene term of naam waar je onderzoek naar doet. Helemaal lastig wordt het wanneer je geluids- of video-fragmenten nodig hebt, waarin die en die persoon een specifieke term bezigt of uitspraak doet…

Feit of fictie

Met Nuse, onze start-up ontstaan vanuit het lectoraat, die data-, tech- & designoplossingen levert aan journalistieke organisaties, zijn we afgelopen week begonnen met onze eerste klus om audiovisueel materiaal slimmer te kunnen raadplegen. Samen met Beeld en Geluid (initiatiefnemer en conceptontwikkelaar, verantwoordelijk voor het archief) en Spinque (verantwoordelijk voor het ontwikkelen van slimme zoekstrategieen) werken we met Nuse aan de ontwikkeling van Feit of Fictie. Binnen dit project wordt een innovatieve oplossing ontwikkeld voor journalisten en andere ‘nieuwsproducers’ die bij een (actuele) gebeurtenis gerelateerd archiefmateriaal zoeken, zonder expliciet te hoeven zoeken…

Workshop-sessie @Beeld en Geluid in volle gang

Research & design

Om zo’n slimme, anticipatory audiovisual search te ontwikkelen zijn we afgelopen week gestart met een tweeledig onderzoek, in samenwerking met NPO Focus,

1. Observaties bij journalisten en redacteuren

Met een aantal redacteuren die voor hun dagelijks werk gebruikmaken van audiovisuele archieven, hebben we op de werkplek onderzoek gedaan – observaties en contextuele interviews- naar de manier waarop de huidige archieven en bijbehorende interface worden gebruikt. Dit alles met als doel om inzicht te krijgen in de manier van werken en om eisen en wensen te inventariseren van deze specifieke groep expert users.

Stanfords’ Design Thinking Model

 

2. Design Thinking Workshop

Op locatie bij Beeld en Geluid in Hilversum hebben we met een interdisciplinaire groep van journalisten, technologen, archivarissen en designers aan de hand van het door Stanford University ontwikkelde Design Thinking Model, aan zogeheten rapid prototyping gedaan, om zo al eerste ideeën voor een nieuwe toepassing te valideren met eindgebruikers.

 

Op het Mediapark loopt natuurlijk een deel van de eindgebruikers in het wild rond. En zo wisten de verschillende duo’s al direct de ideeën voor te leggen en reacties + feedback te krijgen van onder andere contentmakers (RTV en webonly) van de NOS, BNN, Nieuwsuur en NTR.

 

De resultaten van de workshop en de inzichten uit de observaties en interviews zijn voor ons input om de toepassing nog specifieker uit te denken, scherper te gaan ontwerpen en gerichter te ontwikkelen door partner Spinque

 

We zullen op www.journalismlab.nl de voortgang van de ontwikkeling tot de oplossing blijven beschrijven.

Touching the news – wanneer journalisten hun lezers aanraken, en zij hen

headerAppleWatch-brokenglass

Don’t worry. Ondertussen is deze smartwatch alweer gerepareerd.

Waarschijnlijk verbaast het u niet, maar wij Nederlanders raken elkaar veel minder (sociaal) aan dan de meeste andere Europeanen en wereldburgers. Gijs Huisman, momenteel bezig met promotie-onderzoek naar ‘social touch technology’, vertelde tijdens de eerste Internet of Touch-salon dat:

“Nederland kan worden beschouwd als een ‘low-touch’-land.”

Niet veel ogenblikken later zaten wij, wildvreemde doch zeer geïnteresseerde bezoekers van de salon, elkaar fysiek aan te raken en raadde ik welke emoties mijn salonpartner aan mij probeerde te communiceren, in opdracht van diezelfde promovendus. (‘Sympathie’, zo bleek, is overigens lastiger te interpreteren bij de ontvangers dan ‘boosheid’.)

Lees verder

En, wat doen we voor de gebruiker

Deze blogpost verscheen eerder op www.journalismlab.nl

“En, wat doen we voor de gebruiker?” is wat mij betreft de startvraag voor elke journalist, iedere nieuwsorganisatie en -professional die relevant wil zijn en blijven in dit tijdperk.

De werkelijke crisis van de journalistiek
Maar het is juist een vraag die keihard ontbreekt in de journalistieke industrie, wanneer er gedebatteerd wordt over de toekomst van de professie. Het publiek – de lezer, kijker en/of gebruiker van nieuws- speelt een marginale rol in het denken en wordt hoogstens als instrumenteel gezien en niet of nauwelijks betrokken bij nieuwe plannen.

Uit een recent promotie-onderzoek van Klaske Tameling naar crossmediale dilemma’s op Nederlandse nieuwsredacties blijkt dat wordt gekeken naar problemen en oplossingen vanuit voornamelijk interne perspectieven. De buitenwereld lijkt niet echt binnen te dringen in de traditionele journalistiek. De mensen die wel een nieuw perspectief kunnen bieden, worden als tweederangs gezien of genegeerd, en naar gebruikers of niet-journalisten wordt alleen geluisterd als het geluid bekend is of bevalt. Een recipe for disaster waarmee iedere gezonde kritiek wordt uitgeschakeld en kansen op overleving geminimaliseerd worden.

Veranderende routines betekent verdwijnende organisaties
Wat blijkt nog meer: journalistiek werk blijft nodig, maar de manier van organiseren is toe aan verandering door nieuwe ritmes, overvloed in plaats van schaarste en door cultureel-maatschappelijke veranderingen. Wetenschapper Jo Bardoel, zo haalt Tameling aan, stelt dat de maatschappelijke missie van de journalistiek onveranderd blijft. Wat verandert zijn de routines.

En om die routines aan te passen aan de huidige maatschappij zou de journalistiek wat mij als designer betreft toch eens moeten beginnen met luisteren, kijken, vragen en zoeken buiten de eigen veilige groep. 

boekcover

En, hoe convergeren ze?
Tot op de dag van vandaag staat ‘verandering’ voor veel journalistieke professionals gelijk aan ‘crisis’. Wat de industrie zelf als aanleiding voor problemen, veranderingen en oplossingen zag in de periode 2007-2011, en hoe daar op ingespeeld werd, beschrijft Tameling in haar onlangs verschenen proefschrift ‘En wat doen we online? Crossmediale dilemma’s op de Nederlandse nieuwsredactie’:

“De traditionele journalistieke cultuur en dus de onderliggende gemeenschappelijke ideologie, wordt door economische, culturele en technologische ontwikkelingen ter discussie gesteld. Maar het punt is niet, zoals Deuze beargumenteert, dat er iets mis zou zijn met die traditionele professie. De veranderende maatschappij maakt een heroverweging van de journalistieke professie echter noodzakelijk om uiteindelijke relevant te blijven.”

Fraai tijdsdocument voor context, begrip en verbazing
Tameling weet de implicaties van die heroverwegingen voor het dagelijks werk op de nieuwsvloer goed te treffen met haar proefschrift. Het biedt een rijk overzicht aan bestaande literatuur over, en onderzoek naar de journalistieke industrie en context. Vervolgens wordt deze metastudie gecombineerd met eigen etnografisch onderzoek, uitgevoerd op nieuwsredacties van NOS, FD Mediagroep en de Volkskrant en verder aangevuld met beleidsstukken, notities, interviews en verkregen chatsessies van redactiemedewerkers. Als derde en laatste onderdeel bevat het werk een zestal aanbevelingen die iedere journalist en nieuwsorganisatie ter harte zou moeten nemen.

Aandacht voor de ander & verandering
Een van die wat mij betreft belangrijkste aanbevelingen – besteedt aandacht aan verandermanagement – heeft feitelijk niets met de journalistiek als professie te maken. Dat dit uberhaupt een aanbeveling is, zou pijn moeten doen. Het toont de tekortkoming, de onkunde en wellicht ook de onwil van een beroepsgroep om aan eerlijke zelfreflectie te doen. Ik vind het stuitend dat een beroepsgroep die het gewend is anderen de maat te nemen, normaliter oorzaken en gevolgen vanuit verschillende perspectieven onderzoekt en op zoek zegt te zijn naar ‘de waarheid’, dezelfde ethiek niet op de eigen professie van toepassing acht. Of op z’n minst probeert toe te passen. Tameling merkt hier over op:

 “Het is een veelvoorkomend probleem in veranderingsprocessen, dat het juist de leiding ontbreekt aan het effectief toe kunnen passen van nieuwe inzichten over de eigen organisatie. Zij zitten namelijk net als de rest van de redactie gevangen in het patroon dat ze zelf willen doorbreken. Deze leidinggevenden zijn eveneens het resultaat van jarenlange (traditionele) professionalisering.“

Problematisch daarbij is dat blijkt dat alleen leiders met een traditioneel journalistieke achtergrond worden geaccepteerd in eigen kring, maar dat deze mensen juist met leidinggeven geen ervaring hebben, en met vernieuwing vaak weinig affiniteit. Het zijn dit soort dilemma’s in combinatie met een beperkt referentiekader en oud paradigma-denken waarmee de journalistieke industrie zichzelf in een wurggreep houdt. En alhoewel Tameling goed afstand weet te bewaren, zijn er in ieder geval twee momenten in het boek waarin ze zelf ook aannames doet vanuit het ‘oude paradigma-denken’, die verder niet worden onderbouwd:

  1. “Wat nieuw en anders is aan online media is dat de journalisten direct inzicht hebben in alle statistieken en dus in de daadwerkelijke behoefte van het publiek.”
  2. “In een journalistieke omgeving staat een ‘u vraagt, wij draaien’-strategie bovendien haaks op de professionele – controlerende en democratische – uitgangspunten van de journalistiek. “

De eerste bewering is gewoonweg te kort door de bocht. De tweede bewering impliceert niet dat het een het ander uitsluit. Met de uitnodiging aan het publiek om aan te geven aan welke onderwerpen of extra informatie het behoefte heeft, geeft de journalist niet automatisch ook zijn eigen inzicht, vrijheid, beoordelingsvermogen en onpartijdigheid op. Het kennen van de behoefte, en het in dialoog gaan met het publiek, zijn wat mij betreft twee van die routines die de journalist zich eigen dient te maken om relevantie te behouden, en waarmee de professionele uitgangspunten en journalistieke missie behouden blijven.

Geen unieke positie meer
Het gegeven dat in dit tijdperk zowel de journalist als de journalistiek in het algemeen niet (meer) in een unieke positie verkeert, is tot de industrie zelf nog maar weinig doorgedrongen. Tameling spreekt van een Calimero-complex bij online-redacteuren. Je kunt hier direct aan toevoegen dat de meer traditionele journalist tegelijkertijd lijdt aan een God-complex. Voor een buitenstaander is na het lezen van werk het van Tameling eenvoudig te constateren dat de industrie klassieke fout op klassieke fout begaat:

  1. Journalistieke organisaties zijn niet bijzonder of uniek in het kijken naar en aanpakken van de huidige, 21e eeuwse problemen en crises.
  2. Alhoewel de problemen legio zijn en ze beroepsspecifiek lijken, worden ze net als in andere industrieën vooral verkeerd begrepen, worden er onjuiste oorzaken geïdentificeerd, verkeerde conclusies getrokken en acties ondernomen die zowel in woord als daad vaag en ondoordacht zijn.
  3. De geschetste oplossingen bij de drie redacties zijn in ambitie even groot als in onduidelijkheid. Hoe wat door wie bewerkstelligd dient te worden (en wat als succesvol wordt beschouwd), blijft voor vrijwel alle medewerkers, op welk van de drie onderzochte redacties dan ook, vaak onduidelijk, en daarmee wordt het nieuwe convergente werken dan ook voornamelijk als onbevredigend en frustrerend ervaren.
  4. Nieuwe denkwijzen, ontwikkelingen en factoren van invloed worden onderschat of niet gezien.

Dit laatste punt is het best te illustreren met een opgetekende opmerking van een internetredacteur van de Volkskrant:

“Een van Remarque’s eerste interviews was een duo-interview samen met Vandermeersch in De Morgen. Dat heb ik vol verbazing gelezen. Hij zei dingen als: “Internet heeft gewoon een Teletekstfunctie, het is koppen snellen.” In mijn optiek ondermijn je dan gewoon een hele generatie die niet is geabonneerd op een krant. Het klinkt ontzettend hautain en eigenlijk ook een beetje dom want dan heb je je er totaal niet in verdiept.”

Naast ‘een beetje dom’ zijn en het ondermijnen van het eigen en potentiele (online) leespubliek, diskwalificeert de hoofdredacteur van de Volkskrant hiermee ook een deel van zijn eigen medewerkers.

Een journalist lost niet op
Op een andere manier exemplarisch voor het negeren van mogelijkheden of niet buiten het eigen perspectief kunnen kijken, zijn een aantal eerdere recensies op het proefschrift, dat Tameling op haar werk ontvangt vanuit journalistieke kring. Zo heeft The Post Online duidelijk geen oog voor een belangrijk onderdeel van het onderzoek: de genuanceerde kijk op het ambidextrous design. Chris Aalberts komt niet verder dan een korte termijn-oplossing voor het, inderdaad, intern gepercipieerde probleem van financiering. Hij schrijft:

“Redacties kunnen dus wel creatiever moeten zijn en een hogere dunk van online journalistiek hebben, maar wat als die creativiteit geen geld oplevert? Dan ben je toch weer terug bij het oude idee dat je de beste en creatiefste ideeën niet gratis online weggeeft maar in de krant zet, want daar betalen mensen voor. Of de krantenoplages dalen of niet, je verdient dan ten minste wat.”

Alexander Pleijer schrijft op Villamedia:

“De vele voorbeelden waarmee Tameling kwistig strooit zijn veelzeggend […] Eigenlijk zou je er beeld bij willen zien. Je zou het ze willen horen zeggen. Een documentaire, dat zou een mooie vorm zijn.”

Pleijter geeft hier wat mij betreft indirect aan liever naar zichzelf en de zijnen te willen kijken in een documentaire, dan werkelijk de problemen onder ogen te komen, met de billen bloot te gaan, en vervolgens oplossingen te bedenken waarmee de beroepsgroep zijn relevantie hervindt en blijft waarborgen.

Paradigma’s en innovator’s dilemma’s
Je zou kunnen beweren dat geen enkele traditionele industrie opgewassen is om goed uit een paradigma-verschuiving te komen. IBM en Mountain Dew zijn misschien een paar van de weinige voorbeelden. Maar de journalistiek had op zijn minst lering uit andere industrieën kunnen trekken om om te gaan met het zogeheten innovator’s dilemma. Men heeft niet tijdig erkend dat het vakgebied structureel aan het veranderen was, heeft niet kritisch naar zichzelf gekeken en is niet met open vizier naar buiten gegaan. Andere industrieën die hen voorgingen, en om soortgelijke redenen naar relevantie en bestaansrecht zochten, hadden kunnen inspireren, nieuwe ideeën helpen valideren en kunnen bijdragen aan het herpositioneren van de nieuwsindustrie. Bedenk eens wat men had kunnen leren van de muziekindustrie ten tijde van Napster, de iPod en Spotify? Wat van de lessen bruikbaar was geweest uit de reisbranche (Booking.com, AirBnb), de fashionwereld (bloggers, Zara, Zalando), de industrie voor audiovisueel entertainment (HBO, NetFlix, Amazon) of de vervoersmarkt (Lyft, Uber)? Misschien is het nog niet te laat…

Hoopgevende initiatieven
Dat zowel traditionele als pas opgerichte nieuwsorganisaties in ieder geval –en gelukkig maar- blijven experimenteren, is te zien aan de meer recente nieuwsproducten, -services en one off producties. Een niet-representatieve greep uit verschillende service-gerichte benaderingen die de gebruiker meer centraal stellen: het ontbundelen van content door blendle, de plannen van DeCorrespondent om van de lezers-community ‘leken-experts’ te maken en NOS Nieuws die vier soorten nieuwsbehoeften heeft gedefinieerd en op basis daarvan het nieuws selecteert (onderwerp), verwerkt & produceert (invalshoek, medium) en passend publiceert (kanaal en groep). Een ander initiatief dat hoopgaf maar halverwege 2015 sneuvelde was de samenwerking van vrijwel alle Nederlandse nieuwsuitgevers (behalve NRC) in Newz BV. Ook de radicale vernieuwing en exploratie die TMG met zijn Startups-initiatief zocht is ondertussen afgebroken: het project is ter ziele. De Persgroep probeert met haar shovelware-app Paper vooral nieuwe inkomsten uit voornamelijk bestaande content te genereren, maar dit zal de benodige vernieuwing en relevantie op lange termijn waarschijnlijk niet brengen. NRC Q biedt nieuws op maat gemaakt voor een niche doelgroep, met een andere toon, via bekende digitale en experimentele kanalen (o.a. nieuwsbrief, eigen site en Whatsapp). Eenmalige experimenten met meer multimediale content en veel aandacht voor design, zijn te vinden bij de Volkskrant met de zorg-flexread en bij NRC Handelsblad met de Berrie.

 

Een nieuw perspectief: design thinking
Maar het is allemaal nog niet voldoende… Want naast Tamelings aanbevelingen voor het blijven experimenteren, samenwerken tussen organisaties, het samenstellen van interdisciplinaire teams en aandacht hebben voor verandermanagement, moet er meer gebeuren. En dat is: gebruik maken van de buitenwereld. Dat kan methodisch, door vanuit een nieuw perspectief te denken, kijken en te werken. Vanuit mijn eigen professie, die van user experience design, ben ik ervan overtuigd dat er door zogeheten design thinking methodes veel relevantere, rijkere en levensvatbare oplossingen kunnen worden gevonden voor de journalistiek. Tegelijkertijd realiseer ik me hierbij dat ook dit perspectief niet volledig en/of toereikend zal zijn om de crisis waarin journalistieke organisaties verkeren het hoofd te bieden. Maar een frisse blik levert het op z’n minst…

Start with the user

Een mooi perspectief en aanknopingspunt dat Tameling hiervoor biedt is het zogeheten ‘ambidextrous design’ als oplossing voor het innovator’s dilemma: hoe kun je blijven doen waar je goed in bent, terwijl je weet dat dat op een gegeven niet meer werkt? Wanneer enerzijds de oude manier van werken genoeg oplevert en wanneer onduidelijk is wat de nieuwere transities zullen betekenen en opleveren, wat doe je dan als organisatie? Ambidexterity heeft te maken met het vermogen van een organisatie om te kunnen wedden op twee paarden: die van exploitatie en die van exploratie; een design thinker kan helpen beide zijden van het ambidexterity-model te combineren door een feedback-loop te creëren: incrementeel vernieuwen aan de (bestaande) exploitatie-kant en radicaal ontwikkelen op de (nieuwe) exploratie-zijde. En dit continu op elkaar afstemmen, met de juiste vragen, hypotheses, doelen en metrics for success. Om dit proces doordacht te gaan doorlopen, zou ik als designer de volgende stappen willen adviseren:

  1. Start eens met je eindgebruiker
  2. Ontdek de behoeften van je gebruiker samen met medewerkers uit alle geledingen van de organisatie
  3. Hanteer hierbij de zogeheten design thinking-methodes van Stanford’s d.school, in de opeenvolgende fases ‘empathize – define – ideate – prototye – test

Wie zijn de deelgenoten van de toekomst?
Voor mij heeft Klaske Tameling met haar promotie-onderzoek naast de aanbevelingen en nieuwe inzichten ook aanknopingspunten geboden voor niet-journalisten, zoals o.a. designers. Voor een ieder die geïnteresseerd is in de journalistiek, zowel in het beroep, de industrie als in de toekomst ervan, biedt haar werk een bijzonder fraaie en unieke inkijk. Een specifiek tijdsdocument van een industrie met traditionele spelers die hun relevantie en positie proberen te hervinden in een voor hen veranderende omgeving. Of we met dit etnografisch onderzoek ook getuige zijn geweest van de laatste stuiptrekkingen van een aantal traditionele organisaties die, de inspanningen ten spijt, straks overbodig blijken te zijn, of dat we van dichtbij de conceptie hebben mogen bijwonen van een nieuwe en futureproof nieuwsorganisatie; dat valt nog te bezien. Een ding is voor mij wel zeker: de journalistiek zal zelf niet met een oplossing komen. Als ze opletten, zullen de gebruikers hen daarover informeren.

Over de schrijver van deze blogpost
Als kersverse researchfellow van het lectoraat Crossmediale Kwaliteitsjournalistiek houd ik, Laurens Vreekamp (digital native) me bezig met onderzoek naar data-informed design decisions bij de totstandkoming van nieuwsproducties en de ontwikkeling van journalistieke diensten en services. Mijn interesse in, ervaring met en ideeën over de journalistiek houden mij als designer al meer dan 10 jaar bezig: mijn masterthesis behandelde het onderwerp hybrid journalism (2003), ik werkte een aantal jaar voor de publieke omroep (KRO), deed regie bij een Radio1-programma, ben coordinator van de HU-minor Future News Media, en richtte in 2013 samen met Erik van Gameren (NRC Handelsblad) nieuwsservice platform ‘immrs’ op.

Een kijkje in het kloppend hart van de nieuwe journalistiek

“We zitten zelfs te denken aan toepassingen voor in de rechtszaal, of een product voor medisch specialisten”

Terwijl we eind september door een zonovergoten centrum van Amsterdam lopen, vertellen Maarten van Dun, Coen van de Ven en Charif Mews van NewPaper met welke ideeën zij spelen voor hun vernieuwende journalistieke producties. Ze hebben me zojuist het Nieuwsatelier laten zien, waar ze anno 2013 samen met andere journalistieke start-ups het kloppend hart van de Nederlandse journalistiek vormen.

NewPaper won afgelopen jaar, samen met JOB en LocalFocus, 60.000 euro met de wedstrijd The Challenge – Reinventing Journalism. NewPaper ziet zich als ‘een kweekvijver […] voor toptalent van verschillende opleidingen in Nederland. Journalistiek talent komt samen met creatief, technisch en commercieel talent.

Initiatieven als Follow the Money, Sargasso, DNP en ook Newpaper zijn hier, startup-style,  samengebracht

Initiatieven als Follow the Money, Sargasso, DNP en ook Newpaper zijn hier, in een oud naai-atelier aan de Nieuwe Uilenburgerstraat in Amsterdam, startup-style samengebracht

In het atelier huizen o.a. Follow The Money, Sargasso, DeNieuwePers / ThePostOnline en LocalFocus. Hier hebben zij allemaal, met behulp van het Stimuleringsfonds voor de Pers, werkruimte en financiering gevonden om hun journalistieke droom te realiseren. Geheel in incubatorstyle ‘voor onderlinge samenwerkingen en uitwisseling van ideeën.’

Als we even later aankomen op de Nieuwmarkt, een terrasje uitzoeken in de zon en muntthee bestellen, gaan de laptops open. Coen toont vormgevings- en interactie-ideeën voor een crossmediaal item voor de Wereldomroep. Charif laat een nieuwe blogtool zien genaamd Ghost, die is opgezet door een oud-Wordpress-developer, en somt daarvan de mogelijkheden op voor reporters in landen waar smartphones geen gemeengoed zijn en mobiele data prijzig is. Met de komst van Charif heeft NewPaper klaarblijkelijk een echte dataman en programmeur in huis gehaald – een ‘supernerd’ (in hun eigen woorden), maar vooral ook een enabler voor nieuwe mogelijkheden.

Want wat de invloed is van een technoloog op twee journalisten, merk ik aan de geïnspireerde toon waarmee de heren op het terras voorbeeld na voorbeeld opgooien, en al pratend elkaars ideeën verder brengen. De nieuwe journalistiek is volgens NewPaper dan ook gebaseerd op een mix van verhalen vertellen, design, techniek en verdienmodellen. En het maakt hen niet uit wie er met een verhaal-idee of onderwerp komt. En ook niet als er wordt gestart vanuit een technische mogelijkheid. En verschil tussen de traditionele journalist of bijvoorbeeld een gamesblogger bestaat volgens hen al helemaal niet meer – deze heren omarmen de mogelijkheden in plaats van ze als gevaren te beschouwen.

En daarmee heeft deze startup de journalistieke toekomst duidelijk voor ogen. En een opdrachtgever om het mee waar te maken.

Full disclosure: bij de cursus ‘Redactie Krant van de Toekomst” had ik de eer om als gastdocent bij de School voor Journalistiek in Utrecht te mogen werken met de bedenkers van NewPaper.

Ommuurd en afgeschermd – gevaarlijke gedachten voor toekomstige interacties

“Je moet ‘gevaarlijk denken’.”

Niemand minder dan VPRO’s Frank Wiering vertelde donderdag 17 januari aan ons – masterclassers van Sandberg@Mediafonds – dat bovenstaande een belangrijke eigenschap is om origineel en nieuwsgierig te zijn, zeker voor de makers van ‘zijn’ Tegenlicht.

Ook andere sprekers als @casparsonnen (IDFA Doclab), @joostoranje (Nieuwsuur), @jburkunk (BNN Nieuwe Media) en @YoeriAlbrecht (De Balie) gaven ons food for thought met visies, trends, ideeën, tips en voorbeelden w.b. hun specifieke vakgebieden. Deze blogpost getuigt van het feit dat op deze dag de aanwezige personen en gesprekken me tot het volgende triggerden…

Aantekeningen bij 1e masterclass van Sandberg@Mediafonds

Zo’n gevaarlijke gedachte waar Wiering het over had, is bijvoorbeeld de vraag stellen wie er in Amerika baat heeft bij een nieuwe oorlog. Door deze methode te gebruiken werd o.a. de Carlyle group een interessant onderzoekssubject voor een Tegenlicht-aflevering.

Gevaarlijke Zweed?
Een ander gevaarlijk idee dat me triggerde: “De mens is op aarde om de technologie vooruit te helpen”. Het betreft hier een stelling van een Tegenlicht-journalist, die -zo vertelde Wiering- vervolgens in zijn onderzoek hiernaar stuitte op Nick Bostrom: een Zweedse wetenschapper en invloedrijke denker op het gebied van onze toekomst. Het is niet verwonderlijk dat Bostrom, o.a. directeur van Oxford’s Future of Humanity Institute, technologie een grote rol toedicht voor onze toekomst. Samen met o.a. Ray Kurzweil zit hij ook bij de ‘Humanity +‘-club, ‘dedicated to elevating the human condition‘. En om zogeheten ‘humans+‘ te kunnen worden, dienen we eerst een aantal middelen te hebben gerealiseerd. Welke middelen dat zijn ligt hij toe in deze TED talk uit 2005:

Innovatie versus technologie
Maar technologie staat niet gelijk aan innovatie, zo leerde ik vorige week in The Economist, in het artikel ‘Innovation pessimism – Has the ideas machine broken down?’:

Innovation and technology, though talked of almost interchangeably, are not the same thing. Innovation is what people newly know how to do. Technology is what they are actually doing;

Alhoewel hier al de ‘what’- en ‘how’-vragen beantwoord worden, blijft de interessantste natuurlijk over: ‘why’. Waarom zal juist technologie ons helpen om waardevol te kunnen innoveren? Of, meer in Bostroms jargon: waarom is technologie de key-ingredientto elevate the human condition’?

Toekomst van interactieve technologie
Die vraag is lastig en zeer beperkt te beantwoorden. Een groep technologie-enthousiasten (user experience en interaction designers) durft het echter wel aan. In de 18-minuten-durende documentaire Connecting vertellen zij over de toekomst van technologie en interactie:

De 8 belangrijkste punten uit deze docu volgens Mark Wilson:

  1. Our phones demand too much attention, detracting from our real experiences.
  2. Analog metaphors are making less sense on digital devices.
  3. We’re waiting for new paradigms in experiencing media like text on screens.
  4. UX is a living, somewhat unpredictable thing. All experiences need to be fluid and flexible now.
  5. You shouldn’t just try to understand a product. You should try to understand its connected network.
  6. An “Internet of things”–countless connected sensors–is coming (and here).
  7. All of our information feeds into something larger than ourselves, a “superorganism” or “colony” of digital information.
  8. The hive mind got so big that greater Internet thought is now manifesting locally (think Egypt’s uprising or Occupy Wall Street).

Zo gesteld gaat de technologie van de toekomst ons helpen om de technologie van de toekomst niet te zien als technologie, maar wel als… ja, als wat eigenlijk? Technologie verweven met fysieke en digitale objecten. Technologie die leeft. In een ecosysteem, als superorganisme, ‘fluid & flexible’. 

Ik vind dat we, nog voordat het grote publiek zover is, we ons als makers een paar vragen moeten stellen en mogelijke scenario’s dienen uit te denken. Hoe gaat die technologie zich dan manifesteren, hoe en waarmee gaat het ons dan precies helpen, wat zijn dan die ‘real experiences’, en: waarom willen we dit dan eigenlijk?

De interface als muur en masker
Zoals ook in ‘Connecting‘ wordt gezegd, zijn onze huidige interfaces en interacties nu voornamelijk gebaseerd op ‘pictures under glass‘. Toepassingen op onze nieuwste devices bestaan uit plaatjes, die we via aanraakschermen manipuleren met onze vingers – door bijv. afbeeldingen en teksten te swipen, te vergroten of verkleinen met een pinch, of te draaien met duim en wijsvinger. De meest gehypte en als succesvol beschouwde technologische toepassingen bevinden zich dan ook voornamelijk binnen een op pictures-under-glass gebaseerde, mobiele, interactieve context. Denk maar eens aan de economische en emotionele waarde die veel mensen hechten aan Facebook en Instagram.

Zo bezien is het niet verwonderlijk dat voor veel mensen technologische vooruitgang gelijk staat aan de introductie van Apple’s nieuwste apparaat of de nieuwste app in de Android Play Store. Vanuit een macro-innovatie-oogpunt erg teleurstellend, en verre van groots ook. Venture capitalist en technologisch durfondernemer Peter Thiel stelt: 

‘we wilden vliegende auto’s; we kregen 140 characters.’

Naast het gegeven dat de hedendaagse technologische vooruitgang dus nogal teleurstelt (zie voor argumentatie en cijfers het eerder genoemde Economist-artikel), is de impact die al die schermen op ons gedrag hebben voor veel mensen verre van aangenaam. Steeds meer geven we een signifcant deel van onze aandacht aan (toepassingen op) mobile devices. Terwijl we dit doen zijn onze gezichten letterlijk ‘afgeschermd’. Voor aanwezigen in dezelfde ruimte vormen onze laptops, smartphones, tablets en pc’s een muur die willekeurige en reguliere interacties in de wegstaat; voor onszelf verworden de toepassingen binnen die schermen een masker waarachter we onszelf verbergen of selectief beter of anders voordoen. Lees het laatste werk van Howard Rheingold – Net Smart – en Sherry Turkle – Alone Together- maar eens. En ter vermaak misschien ook nog Andrew Keen’s laatste boek.

Gevaarlijke interfaces
Dit brengt me tot mijn eigen gevaarlijke vragen:

  1. Wat als de technologie -straks nog alomtegenwoordiger en zowel im- als explicieter aanwezig- nog meer van onze aandacht opeist?
  2. Wat als de interactieve interface tot onze enige ‘window on the world’ verwordt?
  3. Wat als de interface steeds meer verinnerlijkt – nog meer individueel op ons toespitst? Denk aan profilering en personalisering, al data-genererend en input verkrijgend via onze devices en objecten vol met sensoren die licht, geluid, temperatuur, snelheid, locatie, hartslag, bloedwaarde, urine, etc van ons en onze omgeving meten en opslaan.

Inner- en outerfaces als denkkader
Om bovenstaande vragen te beantwoorden heb ik een kader nodig. Laten we de hierboven geschetste innerlijke interface ‘the innerface’ noemen. En de tegenhanger dopen we ‘the outerface’.

Voor alle duidelijkheid: een interface is de manier waarop de gebruiker met een computersysteem communiceert.

De innerface is de representatie-resultante van een systeem aan de gebruiker, waarbij het systeem in staat is zich zo optimaal mogelijk aan te passen aan een gebruiker. De innerface manifesteert zich middels im- en expliciete interacties tussen een gebruiker en decentraal systeem in een ruimte met digitale, virtuele en/of fysieke objecten in de nabijheid van de gebruiker. Deze interacties en manifestaties zijn voornamelijk relevant en zoveel mogelijk gericht op een enkele, specifieke gebruiker.

Tegelijkertijd met de innerface ontstaat de outerface: de voor derden waarneembare effecten en representatie(s) van die interacties door een specifieke gebruiker met een decentraal systeem – kortweg: andermans innerface. De outerface is een constant fluid, flexible, organic product van waarneembare transities en interacties tussen een specifieke gebruiker en het systeem, zowel in vorm en inhoud van objecten, materialen, kleuren, schermen of andere fysieke elementen in de ruimte.

Scenario’s die passen bij de innerface-toekomst worden overal geschetst. Die toekomst is al lang en breed voorstelbaar, getuige de fragmenten in de Connecting-docu en toekomstfilms van o.a. Microsoft, Nokia en Corning.

Mijn gevaarlijke vragen zijn nu de volgende:

  1. Hoe kunnen we de outerface zodanig beïnvloeden, manipuleren en vormgeven dat er voor een zo relevante mogelijke groep mensen waardevolle contextuele interacties kunnen ontstaan en/of blijven bestaan?
  2. Als we niet de gebruiker als uitgangspunt nemen, maar juist het ecosysteem waarbinnen hij/zij, derden en al hun eventuele innerfaces zich gezamenlijk tot elkaar verhouden, wat levert dat dan op in denken over real experiences?

Nu nog even kijken hoe gevaarlijk het is om in dit scenario liquide journalistiek een rol te geven…

 

 

Mensen met media

Een week kan veel verrassingen hebben. Als je verschillende objecten, technologieën, media, design met elkaar in contact brengt, fysiek en digitaal, wat levert dat dan op?
Daarachter kwam ik deze week, door verschillende ontmoetingen met mensen en plaatsen.

De afgelopen dagen speelde ik met een Arduino-achtig apparaatje, maar dan veel eenvoudiger (naam vergeten, d’oh!), en bestelde de Makey Makey, waarmee je o.a. een piano van bananen kunt maken:

Verder wat geinteracteerd met de Windows Surface-tablet, de LittlePrinter van BERG in het echt gezien, en leuke gesprekken gehad over het ontwerpersvak. Dit allemaal bij Hiro in Utrecht, waar ik sprak met @deanjansen.

Ook had ik afgelopen week voor de tweede keer een afspraak met m’n Mediafonds-masterclass-maatje Erik van Gameren. Hij leidde me rond door het nieuwe NRC Handelsblad-gebouw in hartje Amsterdam, en langs de redactie van nrc.next.

Daar gediscussieerd over de toekomst van journalistiek, o.a. met een bekende journalistiek-studente die er nu stage loopt, en die ondertussen ook nog even met 2 andere mede-studenten een kansrijk concept voor hun idee van de ‘krant van de toekomst’ pitchen en verder uitwerken ihkv de prijsvraag van het Stimuleringsfonds voor de Pers.

Ook in datzelfde gebouw Ward Wijndelts nu eens in levende lijve ontmoet, die de nieuwste iPad-app van NRC even showde, en waar ik en passant de low-tech backend-cms kon aanschouwen. Verder vertelde hij, met een logica die wat mij betreft vooral voor Amerikanen heel vanzelfsprekend is, hoe hij overdags voor NRC werkt, en ’s avonds, na te hebben gegeten met zijn gezin, met zijn team mede-ontwerpers en -programmeurs Brainsley verder uitdenkt met Dhr. Pfauth.

Om de week af te maken, en deze blogpost ook rond te krijgen, legde ik donderdag mijn 4e-jaars User Experience Design-studenten van CMD Utrecht meteen maar de volgende vraag voor:

Wat heb je nodig om te ontwerpen voor systemen die zowel digitale als fysieke elementen hebben? Wat moet je weten, kennen, kunnen als jij het internet of things mede vormgeeft?

Hierover dus even gefilosofeerd, en over wat je nu moet weten om over 7 jaar nog steeds de juiste keuzes te kunnen maken: zelf kennis opdoen of inkopen bij anderen, wanneer zet je je extended professionele netwerk in, en wat heb je nu al aan je mede-studenten hier in deze ruimte, eerst zelf experimenteren met nieuwe modellen, theorieen en software of wachten tot kinderziektes en hypes over zijn?

Zeg ’t maar, wat denk jij?

Ben benieuwd wie ik deze ga ontmoeten, tijdens mijn 1e masterclass Sandberg@Mediafonds, a.s. donderdag…

de mario blog

Bron: http://newspaperdesign.ning.com/

Het zal niemand ontgaan zijn, maar ik heb een hernieuwde interesse in journalistiek -mede dankzij studenten van de SVJ.

De praktische visie
En zo viel mijn oog afgelopen zaterdag extra op de Media-bijlage van NRC Handelsblad. Met daarin een erg interessant -en veel te kort- interview met een dagblad-ontwerper. Had ik eigenlijk nooit zo bij stil gestaan, dat iemand die specifieke functie kan hebben. En het was niet een ontwerper, maar de, naar zo bleek: Mario Garcia. De beste man is 64 jaar, per definitie geen digital native, maar hij heeft een haarscherpe, realistische kijk op de toekomst van media en nieuws, en eentje die past binnen mijn eigen straatje. Wel zo makkelijk. En niks einde van papier.

De man heeft al zo’n 578 kranten een nieuw uiterlijk gegeven, en is duidelijk over de toekomst van dagbladen: print, online, mobiel en tablet. Het is en en en en. Helemaal mee eens.

De harde cijfers
En in ditzelfde weekend kwam ik een newspaper-statistiekje tegen in The Economist:

Via The Economist

Check ook de bijbehorende facts eens:

  • Tussen 2006 en 2010 23% minder advertentie-inkomsten
  • Meer krantenlezers dan internetlezers
  • Er zijn wereldwijd 200 nieuwe titels bijgekomen
  • Titels zijn duurder geworden

Bron: http://www.economist.com/node/21532315.

Als je dit zo leest en ziet, en bedenkt wat Mario zegt en The Economist toont, waar liggen dan de kansen?

“wij zijn de voorkant”

Vorige week vroeg ik 3e/4e-jaars studenten van de School voor Journalistiek waarom ze bezig zijn met de toekomst van nieuwsmedia. Uit hun eerdere opmerkingen, en door mij gedeelde cijfers uit het blad Mediafacts, blijkt die hele dode-bomen-discussie statistisch vooralsnog irrelevant. Een student verwoorde mijn vraag alsvolgt in deze tweet.

Geen vragen? Geen les!
Dus… waarom dan toch interesse tonen? Nadat er meerdere relevante argumenten door de studenten waren opgeworpen, kon Future Newsmedia – les 2 (zie ook onderaan) beginnen.

Wat doen journalisten anno 2011?
Afgelopen woensdag vroeg ik dezelfde groep studenten wat journalistiek-studenten anno 2011 onderscheidt van oudere journalisten, communicatie-studenten en/of amateurs. Een greep uit de antwoorden, vrijelijk geinterpreteerd en gequote:

“Als journalist ben je nieuws- en leergierig”. “Wij lezen nog kranten”. “Wij zijn de voorkant”.

Er bleken in deze groep 2 kampen te bestaan, waarbij het ene kamp nieuwsgierig naar de mogelijkheden kijkt die technologie (zowel soft- als hardware) met zich meebrengen, en deze ook willen benutten. Het andere kamp verwacht dat het journalistieke werk niet zoveel verandert, maar dat er over 10 of 50 jaar wel wezenlijke verschillen zijn t.o.v. de professie van vandaag. Desalniettemin zijn beide kampen nieuwsgierig.En dat uitgangspunt lijkt me het belangrijkst.

Na enig overdenken, denk ik niet dat journalisten de ‘voorkant’ vertegenwoordigen van het (nieuws)-journalistieke landschap, maar misschien wel meer de ‘binnenkant’: de inhoud / de content zelf. En dat is natuurlijk niets nieuws, maar wel een fijn besef.

Vraagje:
Beste journalisten: zijn jullie inderdaad de binnenkant? Overtuig maar…

Hieronder les 2 en les 3.



“We take the side of the people”

Afgelopen donderdag (15 sept. 2011) was ik aanwezig op de Emerce Eday in de Van Nellefabriek in Rotterdam. De meeste sprekers hadden het over vertrouwen, angst en mensen. Op zijn minst opmerkelijk voor een online business & marketing – conferentie…

“People trust people”

Een spreker die voor mij het beste verhaal had, was Ousama Itani , senior analyst in Al Jazeera’s New Media Department. In 15 minuten liet hij ons zien hoe Al Jazeera de ‘Arab Spring’ coverde. “We take the side of the people” – aldus Itani.

Daarbij horen 3 vragen:

1. How do people / your audience consume news?

2. On what platform ?

3. Where are they  – at home, office, on the streets,etc.?

“Facilitator of communication”
Tijdens de verschillende protesten in landen als Egypte en Tunesie, gedroeg Al Jazeera zich als ‘facilitator of communication”. Er ontstond een ‘new(s) ecosystem’: we hielden Twitter in de gaten (bijv hashtags #sidibouzid , #tunesia en #jan25 ), luisterden naar ons publiek en zetten een scala aan (nieuwe) media kanalen en technologieen in: scribblelive (live-event coverage, evt. anoniem), live-stream van Al Jazeera online, tumblr sites op aanvraag van het publiek.

‘Brand the revolution’
Sponsored Facebook-advertenties en Promoted tweets werden ingezet om Al Jazeera-tweets bovenaan Twitter-searches te krijgen. Daarnaast was het op Twitter belangrijk om de revolutie ook te ‘branden’: #jan25 was kort, helder en krachtig – “helps great for participation”, aldus Itani, “and drives the conversation”.

(information - noise) + context = accurate reporting

Dit is volgens Itani de formule om tijdens bijv. revoluties een waardevolle (nieuws)bron voor ‘the people’ te zijn.

remarkable side-effect
Op een gegeven moment werd facebook afgesloten in de revolutie-landen, en ook Al Jazeera werd geblokkeerd op tv. Gevolg: meer mensen de straat op.

Bron: http://www.boyreporter.ca

Volg de juiste kanalen
Het luisteren naar de straat, het volgen van people’s tweets, Al Jazeera’s eigen micro-reporting op Twitter en live-blogging voor de langere verhalen, leidde uiteindelijk tot meer kijkers voor het Al Jazeera-tv-kanaal.

Itani sloot af met een American-style tagline: “reporting a revolution needs a reporting revolution”. En niet Twitter is key, maar de mensen. Een fout die Techcrunch volgens hem wel maakte: “The Tunesian Revolution wasn’t televised, but you could follow it on Twitter” Itani’s repliek: the revolution was televised, you were just watching the wrong channel!”