Touching the news – wanneer journalisten hun lezers aanraken, en zij hen

headerAppleWatch-brokenglass

Don’t worry. Ondertussen is deze smartwatch alweer gerepareerd.

Waarschijnlijk verbaast het u niet, maar wij Nederlanders raken elkaar veel minder (sociaal) aan dan de meeste andere Europeanen en wereldburgers. Gijs Huisman, momenteel bezig met promotie-onderzoek naar ‘social touch technology’, vertelde tijdens de eerste Internet of Touch-salon dat:

“Nederland kan worden beschouwd als een ‘low-touch’-land.”

Niet veel ogenblikken later zaten wij, wildvreemde doch zeer geïnteresseerde bezoekers van de salon, elkaar fysiek aan te raken en raadde ik welke emoties mijn salonpartner aan mij probeerde te communiceren, in opdracht van diezelfde promovendus. (‘Sympathie’, zo bleek, is overigens lastiger te interpreteren bij de ontvangers dan ‘boosheid’.)

Lees verder

Nieuws: hacking the dead on arrival, forever

Dit stuk beschrijft niet hoe het medialandschap verandert, maar hoe het landschap meer als een heelal is: het dijt uit en uit en uit. Nu de meeste nieuwsorganisaties de nodige stappen naar web en mobiel hebben gemaakt (nou ja, soort van), is ‘het landschap’ alweer verder getrokken richting broadcast social, narrowcast messaging en conversational chapps. En is e-mail daarnaast aan een renaissance bezig. Wat dit allemaal inhoudt, beschrijf ik hier aan de hand van voorbeelden en artikelen, gevonden voor u op het web en besproken met key players.

Lees verder

Nieuws in tijden van the Internet of Things

Deze blogpost verscheen eerder op www.journalismlab.nl

Het is 2015, je reist bijvoorbeeld met het openbaar vervoer naar je werk of studie. Tijdens je reis, die al begint bij het opstaan, vragen tientallen berichten om je aandacht. Via verschillende schermen komen ze tot je: als je je ogen nog maar net open hebt, check je je smartphone, (soms) radio, televisie en -steeds minder vaak- een ouderwetse papieren krant. Vervolgens krijg je reclame- of overheidsboodschappen tot je in de openbare ruimte. Via een abri bij de halte of op het perron of op een scherm in de bus, trein of tram. Tussendoor kijk je nog een aantal keer naar je eigen smartphone, en gebruik je 3 a 4 apps hooguit om berichten te checken. Een enkeling kijkt tijdens deze reis op haar slimme horloge, al is dat anno 2015 nog verre van gebruikelijk…

“Als ik letterlijk via mijn pols kan voelen dat jij gestresst bent, dan stuur ik mijn relaxte hartslag gewoon aan je terug. Ik denk wel dat dat helpt.”

Het is 2021, je reist met het openbaar vervoer naar je werk of studie. Tijdens je reis, die al begint bij het opstaan, vragen tientallen berichten om je aandacht. Maar dit keer niet alleen via schermen. Nee, de berichten bereiken je ook via aanraking, je kunt ze proeven, je voelt ze, je ruikt ze en hoort ze. En je krijgt die berichten niet alleen via meerdere zintuigen binnen, nee, je verstuurt ze zelf ook op al die nieuwe manieren, met alles en iedereen.

tcams15_headerlogo

Hier op ThingsCon2015 in het Volkshotel in Amsterdam (ja, het oude Volkskrantgebouw) is dit laatste scenario verre van toekomstmuziek. Lezingen, workshops en pitches gaan over de wereld van fysieke objecten (things) die door middel van sensoren en een internetverbinding met elkaar, met mensen en met organisaties in verbinding staan.

Eerst vragenstellen, dan innoveren
Waar je in eerste instantie zou verwachten dat op een evenement als deze, vol programmeurs, designers en techneuten, vooral crazy ideas en ongekende mogelijkheden worden besproken in ongebreideld enthousiasme, valt hier vooral ook op dat niet rücksichtslos in louter technische mogelijkheden wordt gedacht en gesproken.

De talks gaan dan ook over:

  1. Begrip voor nieuwe systemen bij gebruikers
    Wat zullen gebruikers de eerste paar jaar wel en niet begrijpen van deze nieuwe systemen, waarbij interacties tussen hardware, software en services nieuwe uitdagingen met zich meebrengen, voor zowel bedenkende partijen als gebruikers? Een veelgebruikt (en beschouwd als ‘goed’) voorbeeld tijdens deze dag, is de Nest-thermostaat, die op internet aangesloten is, en je met een app kunt bedienen.
  2. Vertrouwen is essentieel
    De realisatie en het succes van echt waardevolle toepassingen en het gebruik ervan, zal vooral op vertrouwen gebaseerd zijn. Hoe ontwerp je voor vertrouwen? De leverancier van de nieuwe, connected devices en services zal op meerdere terreinen moeten laten zien dat jouw fysieke spullen blijven werken, veilig zijn en dat jouw dierbaren niet in gevaar kunnen komen door jouw acties.
    Denk hier maar eens aan: als je je stoel, je plant, auto en winterjas op internet aansluit, wie kunnen daar dan nog meer bij en/of invloed op uitoefenen? Wat gebeurt er als jouw persoonlijke leefomgeving en voorwerpen ‘op internet gaan’. Wat doen ze onderling? En waarom zou je dat dan willen? Welk gemakt dient het uberhaupt? De VTech-hack wordt een paar keer aangehaald.
  3. Gedragscode voor ontwikkelaars
    Bedenkers/bouwers/ontwerpers moeten bij al hun ideeen starten met een code of ethics. Mooi samengevat in het IoT Design Manifesto.De kritische en reflectieve vragen komen vooral ook in de presentatie van Paul Hekkert naar voren. Hij is hoogleraar vormtheorie aan de faculteit Industrieel Ontwerpen Technische Universiteit Delft. Immovator tekende zijn woorden op in hun verslag:

    “Waar willen we dat het naar toe gaat? [Paul Hekkert] haalde de Self Determination Theory aan en benadrukte dat het, naast het experimenten, ook belangrijk is om soms op een ander niveau te reflecteren op de ontwikkelingen. Wat voor impact heeft de techniek op onze competence, autonomy en relatedness? Het is zeer nuttig om te spelen met de nieuwe techniek en nieuwe kansen te ontdekken, maar vergeet niet om ook af en toe stil te staan bij de reden waarom we dingen doen.”

 

Heerlijke nieuwe connected wereld?
Desalniettemin is het inderdaad ook heerlijk om door te denken over wat al deze nieuwe mogelijkheden voor de journalistiek en andere domeinen kunnen betekenen. Zo liet ik mijn lichaam 3D-scannen zodat mijn kledingadvies relevanter wordt en what-to-wearkeuzestress straks verdwijnt.

De schoppende baby – voelen in en buiten de buik, op afstand
Bij de workshop Connected bodies bedachten we de Babybonder, waarbij een zwanger koppel door middel van speciale connected en haptic t-shirts de fysieke zwangerschapservaring deelt met elkaar.

En de journalistiek?
Beeld je het volgende eens in: tijdens het ontbijt en het douchen wordt je bijgepraat door je audio-volgsysteem. De inhoud en vorm ervan zijn aangepast op jouw gedrag, stemming en fysieke locatie, zowel binnenshuis als buiten. Het belangrijkste nieuws komt van je vrienden, sociale netwerk van peers en dat wat vroeger voor journalistiek doorging. Maar niet meer via die op de massa gerichte print-editie of speciale app, maar voorgedragen door je favoriete stem. Voor jou samengevat, op jou afgestemd, en misschien wel geprint op je kleding. Bij een protestverslag voelt je de hartslag van de reporter en actievoerders. Je kleding spant zich aan. De temperatuur in je jas daalt.

Dit is wat je vandaag moet weten … en dragen!
En terwijl jouw nieuws zich in alle dimensies personaliseerde en jij onder de douche stond, is je spijkerbroek in gesprek gegaan met de rest van je garderobe op basis van het weer, je gemoedstoestand en het soort afspraken dat je vandaag hebt. Je gaat weg en vergeet de thermostaat lager te zetten, maar eigenlijk was dat ook niet nodig. Hij detecteerde al dat je weg was, en trouwens: hij weet doorgaans hoe laat je deur uitgaat op vrijdag.

In de bus starten je sokken een gesprek met de laarzen van je mede-passagiers, en wisselen uit welk nieuws hun drager (jij) al hebben geconsumeerd. Zo krijg je tips om eventueel een gesprek te starten op basis van wat jullie allebei al weten -of juist nog niet- van die belangrijke gebeurtenis in Canada. Je krijgt feedback over wie er fit is in je omgeving op het moment en hoe dat is gelukt. Je broekriem trilt als je langs een goedkope gym komt en bewaart een aanbieding in de cloud. Je tas bewaart een tip over waar die ene gezonde persoon zijn recepten vandaan haalt. Als je later die dag in de supermarkt komt, licht je tas op als je de benodigde ingredienten nadert.

Op basis van nieuwe informatie over wegopbrekingen op je route straks, geven je schoenen aanwijzingen voor een ander pad met de fiets vanaf het station.

Finally, wat de journalistiek zich dient te beseffen…
En ergens in de nabije toekomst, in deze al dan niet realistische scenario’s, zullen ook nieuwsorganisaties opnieuw moeten strijden voor een plekje in het ritme van de lezer/voeler/ruiker/proever/luisteraar. Net als in 2015. Maar dan met nog meer platformen, nog meer apparaten, nog meer objecten en nog meer onverwachtse concurrenten. Met nieuwe kansen en nieuwe bedreigingen. En vooral opnieuw uit te vinden en aan te passen routines. En met een onveranderde taak en dezelfde missie als altijd.

En, wat doen we voor de gebruiker

Deze blogpost verscheen eerder op www.journalismlab.nl

“En, wat doen we voor de gebruiker?” is wat mij betreft de startvraag voor elke journalist, iedere nieuwsorganisatie en -professional die relevant wil zijn en blijven in dit tijdperk.

De werkelijke crisis van de journalistiek
Maar het is juist een vraag die keihard ontbreekt in de journalistieke industrie, wanneer er gedebatteerd wordt over de toekomst van de professie. Het publiek – de lezer, kijker en/of gebruiker van nieuws- speelt een marginale rol in het denken en wordt hoogstens als instrumenteel gezien en niet of nauwelijks betrokken bij nieuwe plannen.

Uit een recent promotie-onderzoek van Klaske Tameling naar crossmediale dilemma’s op Nederlandse nieuwsredacties blijkt dat wordt gekeken naar problemen en oplossingen vanuit voornamelijk interne perspectieven. De buitenwereld lijkt niet echt binnen te dringen in de traditionele journalistiek. De mensen die wel een nieuw perspectief kunnen bieden, worden als tweederangs gezien of genegeerd, en naar gebruikers of niet-journalisten wordt alleen geluisterd als het geluid bekend is of bevalt. Een recipe for disaster waarmee iedere gezonde kritiek wordt uitgeschakeld en kansen op overleving geminimaliseerd worden.

Veranderende routines betekent verdwijnende organisaties
Wat blijkt nog meer: journalistiek werk blijft nodig, maar de manier van organiseren is toe aan verandering door nieuwe ritmes, overvloed in plaats van schaarste en door cultureel-maatschappelijke veranderingen. Wetenschapper Jo Bardoel, zo haalt Tameling aan, stelt dat de maatschappelijke missie van de journalistiek onveranderd blijft. Wat verandert zijn de routines.

En om die routines aan te passen aan de huidige maatschappij zou de journalistiek wat mij als designer betreft toch eens moeten beginnen met luisteren, kijken, vragen en zoeken buiten de eigen veilige groep. 

boekcover

En, hoe convergeren ze?
Tot op de dag van vandaag staat ‘verandering’ voor veel journalistieke professionals gelijk aan ‘crisis’. Wat de industrie zelf als aanleiding voor problemen, veranderingen en oplossingen zag in de periode 2007-2011, en hoe daar op ingespeeld werd, beschrijft Tameling in haar onlangs verschenen proefschrift ‘En wat doen we online? Crossmediale dilemma’s op de Nederlandse nieuwsredactie’:

“De traditionele journalistieke cultuur en dus de onderliggende gemeenschappelijke ideologie, wordt door economische, culturele en technologische ontwikkelingen ter discussie gesteld. Maar het punt is niet, zoals Deuze beargumenteert, dat er iets mis zou zijn met die traditionele professie. De veranderende maatschappij maakt een heroverweging van de journalistieke professie echter noodzakelijk om uiteindelijke relevant te blijven.”

Fraai tijdsdocument voor context, begrip en verbazing
Tameling weet de implicaties van die heroverwegingen voor het dagelijks werk op de nieuwsvloer goed te treffen met haar proefschrift. Het biedt een rijk overzicht aan bestaande literatuur over, en onderzoek naar de journalistieke industrie en context. Vervolgens wordt deze metastudie gecombineerd met eigen etnografisch onderzoek, uitgevoerd op nieuwsredacties van NOS, FD Mediagroep en de Volkskrant en verder aangevuld met beleidsstukken, notities, interviews en verkregen chatsessies van redactiemedewerkers. Als derde en laatste onderdeel bevat het werk een zestal aanbevelingen die iedere journalist en nieuwsorganisatie ter harte zou moeten nemen.

Aandacht voor de ander & verandering
Een van die wat mij betreft belangrijkste aanbevelingen – besteedt aandacht aan verandermanagement – heeft feitelijk niets met de journalistiek als professie te maken. Dat dit uberhaupt een aanbeveling is, zou pijn moeten doen. Het toont de tekortkoming, de onkunde en wellicht ook de onwil van een beroepsgroep om aan eerlijke zelfreflectie te doen. Ik vind het stuitend dat een beroepsgroep die het gewend is anderen de maat te nemen, normaliter oorzaken en gevolgen vanuit verschillende perspectieven onderzoekt en op zoek zegt te zijn naar ‘de waarheid’, dezelfde ethiek niet op de eigen professie van toepassing acht. Of op z’n minst probeert toe te passen. Tameling merkt hier over op:

 “Het is een veelvoorkomend probleem in veranderingsprocessen, dat het juist de leiding ontbreekt aan het effectief toe kunnen passen van nieuwe inzichten over de eigen organisatie. Zij zitten namelijk net als de rest van de redactie gevangen in het patroon dat ze zelf willen doorbreken. Deze leidinggevenden zijn eveneens het resultaat van jarenlange (traditionele) professionalisering.“

Problematisch daarbij is dat blijkt dat alleen leiders met een traditioneel journalistieke achtergrond worden geaccepteerd in eigen kring, maar dat deze mensen juist met leidinggeven geen ervaring hebben, en met vernieuwing vaak weinig affiniteit. Het zijn dit soort dilemma’s in combinatie met een beperkt referentiekader en oud paradigma-denken waarmee de journalistieke industrie zichzelf in een wurggreep houdt. En alhoewel Tameling goed afstand weet te bewaren, zijn er in ieder geval twee momenten in het boek waarin ze zelf ook aannames doet vanuit het ‘oude paradigma-denken’, die verder niet worden onderbouwd:

  1. “Wat nieuw en anders is aan online media is dat de journalisten direct inzicht hebben in alle statistieken en dus in de daadwerkelijke behoefte van het publiek.”
  2. “In een journalistieke omgeving staat een ‘u vraagt, wij draaien’-strategie bovendien haaks op de professionele – controlerende en democratische – uitgangspunten van de journalistiek. “

De eerste bewering is gewoonweg te kort door de bocht. De tweede bewering impliceert niet dat het een het ander uitsluit. Met de uitnodiging aan het publiek om aan te geven aan welke onderwerpen of extra informatie het behoefte heeft, geeft de journalist niet automatisch ook zijn eigen inzicht, vrijheid, beoordelingsvermogen en onpartijdigheid op. Het kennen van de behoefte, en het in dialoog gaan met het publiek, zijn wat mij betreft twee van die routines die de journalist zich eigen dient te maken om relevantie te behouden, en waarmee de professionele uitgangspunten en journalistieke missie behouden blijven.

Geen unieke positie meer
Het gegeven dat in dit tijdperk zowel de journalist als de journalistiek in het algemeen niet (meer) in een unieke positie verkeert, is tot de industrie zelf nog maar weinig doorgedrongen. Tameling spreekt van een Calimero-complex bij online-redacteuren. Je kunt hier direct aan toevoegen dat de meer traditionele journalist tegelijkertijd lijdt aan een God-complex. Voor een buitenstaander is na het lezen van werk het van Tameling eenvoudig te constateren dat de industrie klassieke fout op klassieke fout begaat:

  1. Journalistieke organisaties zijn niet bijzonder of uniek in het kijken naar en aanpakken van de huidige, 21e eeuwse problemen en crises.
  2. Alhoewel de problemen legio zijn en ze beroepsspecifiek lijken, worden ze net als in andere industrieën vooral verkeerd begrepen, worden er onjuiste oorzaken geïdentificeerd, verkeerde conclusies getrokken en acties ondernomen die zowel in woord als daad vaag en ondoordacht zijn.
  3. De geschetste oplossingen bij de drie redacties zijn in ambitie even groot als in onduidelijkheid. Hoe wat door wie bewerkstelligd dient te worden (en wat als succesvol wordt beschouwd), blijft voor vrijwel alle medewerkers, op welk van de drie onderzochte redacties dan ook, vaak onduidelijk, en daarmee wordt het nieuwe convergente werken dan ook voornamelijk als onbevredigend en frustrerend ervaren.
  4. Nieuwe denkwijzen, ontwikkelingen en factoren van invloed worden onderschat of niet gezien.

Dit laatste punt is het best te illustreren met een opgetekende opmerking van een internetredacteur van de Volkskrant:

“Een van Remarque’s eerste interviews was een duo-interview samen met Vandermeersch in De Morgen. Dat heb ik vol verbazing gelezen. Hij zei dingen als: “Internet heeft gewoon een Teletekstfunctie, het is koppen snellen.” In mijn optiek ondermijn je dan gewoon een hele generatie die niet is geabonneerd op een krant. Het klinkt ontzettend hautain en eigenlijk ook een beetje dom want dan heb je je er totaal niet in verdiept.”

Naast ‘een beetje dom’ zijn en het ondermijnen van het eigen en potentiele (online) leespubliek, diskwalificeert de hoofdredacteur van de Volkskrant hiermee ook een deel van zijn eigen medewerkers.

Een journalist lost niet op
Op een andere manier exemplarisch voor het negeren van mogelijkheden of niet buiten het eigen perspectief kunnen kijken, zijn een aantal eerdere recensies op het proefschrift, dat Tameling op haar werk ontvangt vanuit journalistieke kring. Zo heeft The Post Online duidelijk geen oog voor een belangrijk onderdeel van het onderzoek: de genuanceerde kijk op het ambidextrous design. Chris Aalberts komt niet verder dan een korte termijn-oplossing voor het, inderdaad, intern gepercipieerde probleem van financiering. Hij schrijft:

“Redacties kunnen dus wel creatiever moeten zijn en een hogere dunk van online journalistiek hebben, maar wat als die creativiteit geen geld oplevert? Dan ben je toch weer terug bij het oude idee dat je de beste en creatiefste ideeën niet gratis online weggeeft maar in de krant zet, want daar betalen mensen voor. Of de krantenoplages dalen of niet, je verdient dan ten minste wat.”

Alexander Pleijer schrijft op Villamedia:

“De vele voorbeelden waarmee Tameling kwistig strooit zijn veelzeggend […] Eigenlijk zou je er beeld bij willen zien. Je zou het ze willen horen zeggen. Een documentaire, dat zou een mooie vorm zijn.”

Pleijter geeft hier wat mij betreft indirect aan liever naar zichzelf en de zijnen te willen kijken in een documentaire, dan werkelijk de problemen onder ogen te komen, met de billen bloot te gaan, en vervolgens oplossingen te bedenken waarmee de beroepsgroep zijn relevantie hervindt en blijft waarborgen.

Paradigma’s en innovator’s dilemma’s
Je zou kunnen beweren dat geen enkele traditionele industrie opgewassen is om goed uit een paradigma-verschuiving te komen. IBM en Mountain Dew zijn misschien een paar van de weinige voorbeelden. Maar de journalistiek had op zijn minst lering uit andere industrieën kunnen trekken om om te gaan met het zogeheten innovator’s dilemma. Men heeft niet tijdig erkend dat het vakgebied structureel aan het veranderen was, heeft niet kritisch naar zichzelf gekeken en is niet met open vizier naar buiten gegaan. Andere industrieën die hen voorgingen, en om soortgelijke redenen naar relevantie en bestaansrecht zochten, hadden kunnen inspireren, nieuwe ideeën helpen valideren en kunnen bijdragen aan het herpositioneren van de nieuwsindustrie. Bedenk eens wat men had kunnen leren van de muziekindustrie ten tijde van Napster, de iPod en Spotify? Wat van de lessen bruikbaar was geweest uit de reisbranche (Booking.com, AirBnb), de fashionwereld (bloggers, Zara, Zalando), de industrie voor audiovisueel entertainment (HBO, NetFlix, Amazon) of de vervoersmarkt (Lyft, Uber)? Misschien is het nog niet te laat…

Hoopgevende initiatieven
Dat zowel traditionele als pas opgerichte nieuwsorganisaties in ieder geval –en gelukkig maar- blijven experimenteren, is te zien aan de meer recente nieuwsproducten, -services en one off producties. Een niet-representatieve greep uit verschillende service-gerichte benaderingen die de gebruiker meer centraal stellen: het ontbundelen van content door blendle, de plannen van DeCorrespondent om van de lezers-community ‘leken-experts’ te maken en NOS Nieuws die vier soorten nieuwsbehoeften heeft gedefinieerd en op basis daarvan het nieuws selecteert (onderwerp), verwerkt & produceert (invalshoek, medium) en passend publiceert (kanaal en groep). Een ander initiatief dat hoopgaf maar halverwege 2015 sneuvelde was de samenwerking van vrijwel alle Nederlandse nieuwsuitgevers (behalve NRC) in Newz BV. Ook de radicale vernieuwing en exploratie die TMG met zijn Startups-initiatief zocht is ondertussen afgebroken: het project is ter ziele. De Persgroep probeert met haar shovelware-app Paper vooral nieuwe inkomsten uit voornamelijk bestaande content te genereren, maar dit zal de benodige vernieuwing en relevantie op lange termijn waarschijnlijk niet brengen. NRC Q biedt nieuws op maat gemaakt voor een niche doelgroep, met een andere toon, via bekende digitale en experimentele kanalen (o.a. nieuwsbrief, eigen site en Whatsapp). Eenmalige experimenten met meer multimediale content en veel aandacht voor design, zijn te vinden bij de Volkskrant met de zorg-flexread en bij NRC Handelsblad met de Berrie.

 

Een nieuw perspectief: design thinking
Maar het is allemaal nog niet voldoende… Want naast Tamelings aanbevelingen voor het blijven experimenteren, samenwerken tussen organisaties, het samenstellen van interdisciplinaire teams en aandacht hebben voor verandermanagement, moet er meer gebeuren. En dat is: gebruik maken van de buitenwereld. Dat kan methodisch, door vanuit een nieuw perspectief te denken, kijken en te werken. Vanuit mijn eigen professie, die van user experience design, ben ik ervan overtuigd dat er door zogeheten design thinking methodes veel relevantere, rijkere en levensvatbare oplossingen kunnen worden gevonden voor de journalistiek. Tegelijkertijd realiseer ik me hierbij dat ook dit perspectief niet volledig en/of toereikend zal zijn om de crisis waarin journalistieke organisaties verkeren het hoofd te bieden. Maar een frisse blik levert het op z’n minst…

Start with the user

Een mooi perspectief en aanknopingspunt dat Tameling hiervoor biedt is het zogeheten ‘ambidextrous design’ als oplossing voor het innovator’s dilemma: hoe kun je blijven doen waar je goed in bent, terwijl je weet dat dat op een gegeven niet meer werkt? Wanneer enerzijds de oude manier van werken genoeg oplevert en wanneer onduidelijk is wat de nieuwere transities zullen betekenen en opleveren, wat doe je dan als organisatie? Ambidexterity heeft te maken met het vermogen van een organisatie om te kunnen wedden op twee paarden: die van exploitatie en die van exploratie; een design thinker kan helpen beide zijden van het ambidexterity-model te combineren door een feedback-loop te creëren: incrementeel vernieuwen aan de (bestaande) exploitatie-kant en radicaal ontwikkelen op de (nieuwe) exploratie-zijde. En dit continu op elkaar afstemmen, met de juiste vragen, hypotheses, doelen en metrics for success. Om dit proces doordacht te gaan doorlopen, zou ik als designer de volgende stappen willen adviseren:

  1. Start eens met je eindgebruiker
  2. Ontdek de behoeften van je gebruiker samen met medewerkers uit alle geledingen van de organisatie
  3. Hanteer hierbij de zogeheten design thinking-methodes van Stanford’s d.school, in de opeenvolgende fases ‘empathize – define – ideate – prototye – test

Wie zijn de deelgenoten van de toekomst?
Voor mij heeft Klaske Tameling met haar promotie-onderzoek naast de aanbevelingen en nieuwe inzichten ook aanknopingspunten geboden voor niet-journalisten, zoals o.a. designers. Voor een ieder die geïnteresseerd is in de journalistiek, zowel in het beroep, de industrie als in de toekomst ervan, biedt haar werk een bijzonder fraaie en unieke inkijk. Een specifiek tijdsdocument van een industrie met traditionele spelers die hun relevantie en positie proberen te hervinden in een voor hen veranderende omgeving. Of we met dit etnografisch onderzoek ook getuige zijn geweest van de laatste stuiptrekkingen van een aantal traditionele organisaties die, de inspanningen ten spijt, straks overbodig blijken te zijn, of dat we van dichtbij de conceptie hebben mogen bijwonen van een nieuwe en futureproof nieuwsorganisatie; dat valt nog te bezien. Een ding is voor mij wel zeker: de journalistiek zal zelf niet met een oplossing komen. Als ze opletten, zullen de gebruikers hen daarover informeren.

Over de schrijver van deze blogpost
Als kersverse researchfellow van het lectoraat Crossmediale Kwaliteitsjournalistiek houd ik, Laurens Vreekamp (digital native) me bezig met onderzoek naar data-informed design decisions bij de totstandkoming van nieuwsproducties en de ontwikkeling van journalistieke diensten en services. Mijn interesse in, ervaring met en ideeën over de journalistiek houden mij als designer al meer dan 10 jaar bezig: mijn masterthesis behandelde het onderwerp hybrid journalism (2003), ik werkte een aantal jaar voor de publieke omroep (KRO), deed regie bij een Radio1-programma, ben coordinator van de HU-minor Future News Media, en richtte in 2013 samen met Erik van Gameren (NRC Handelsblad) nieuwsservice platform ‘immrs’ op.

De betekenisrevolutie: 3 dingen die je moet weten

De afgelopen tijd vallen me drie dingen op. Wil ik met je delen. En weet dat ik er een beetje met de botte bijl in ga:

  1. TV-kijken in 2015 betekent voor grofweg vier groepen kijkers in Nederland iets verschillends.
  2. ‘De maatschappij’ vraagt steeds vaker om ethische, humanistische handvatten als het gaat om omgang met en invloed van technologie op ‘ons’ huidige leven. Maar wie geeft ze die handvatten?
  3. Hedendaagse advertising mist inhoud en staat los van ‘wat er speelt’ in de samenleving. (En hoe ik dat verkeerd zag).

Boek: Het digitale proletariaat

Digitale proletariaat - coverOm met het tweede punt te beginnen. Er komt deze week een nieuw boek uit, van filosoof Hans Schnitzler: “Het Digitale Proletariaat”. Bij de introductie op zijn site staat het volgende:

In Het digitale proletariaat wordt de ontstaansgeschiedenis van een eigentijdse klasse geschetst. De digitale proletariër is een mens van wie het hele bewustzijn – zijn aandacht, emoties en vriendschappen, zijn ideeën en fantasieën – tot koopwaar is gereduceerd. Schnitzler maakt inzichtelijk dat de mens zowel zijn handelingsbekwaamheid als zijn levenskennis dreigt te verliezen. Totale proletarisering is het resultaat. De bijtende kritiek van de auteur op de digitale cultuur noopt tot bezinning.

Ik ben erg nieuwsgierig naar dit werk, en benieuwd of het tot nieuwe inzichten leidt wat betreft de Nederlandse maatschappij/markt, naast het al bestaande (en meer internationaal georiënteerde) werk hierover van bijv. Evgeny Morozov, Sherry Turkle, Andrew Keen en Nicholas Carr.

Consument = het product. Het product = betekenisloos
Het is een ding om te constateren, te beseffen en te erkennen dat ons hele bewustzijn tot koopwaar is gereduceerd. Maar als je daar de volgende uitspraak bij optelt, wordt ons huidige bestaan als consument, en ons beroep van communicatie-, media- en designspecialist wel erg leeg en dun. Tom Kniesmeijer (reclamemaker) schrijft namelijk het volgende in zijn artikel ‘Naakte vrouwen, is dat nog edgy anno 2015‘ (Adformatie #5, 6 maart 2015):

We hebben de ondergrens bereikt, die van betekenisloze producten, betekenisloze service en betekenisloze merken. En die van de reclamemaker die het ondertussen uitgemergelde lichaam van zijn klanten in een edgy jasje blijft steken.

Ehm… Heavy constatering, toch?!

Betekenisrevolutie
Maar… er gloort wel wat hoop in het artikel, met a) een oproep voor een ‘betekenisrevolutie’ en de vraag wie de volgende Benetton-campagne gaat maken; en b) met voorbeelden van nu (Triodos, RotterZwam en Doctors Orders) die de goede richting op gaan, volgens de schrijver. Zijn visie hierbij:

Communicatie zegt iets over de verhouding die je als merk hebt met de samenleving. Hoe je daarin staat. Over je ethiek van werken. Vanuit die gedachtestroom kan iets ontstaan dat, ver doorgevoerd, grenzen doorbreekt. Dat voelt dan niet als ‘lekker stout’ maar als noodzakelijk. Ergens zijn we blijkbaar die intrinsieke noodzaak verloren.

 

#immrs live caffee – hoe het publiek activistisch wordt
Zelf heb ik toch een paar aanwijzingen gevonden om een  positieve verandering te vermoeden. Tijdens een live event dat ik met #immrs op zondag 8 maart organiseerde kwamen een privacy-journaliste en crisiscommunicatie-onderzoeker aan het woord en gingen in gesprek met lezers aldaar.

Mijn samenvatting na de twee gesprekken met hen en het aanwezige publiek:
een falende, slecht communicerende en ondermaats dienstverlenende overheid enerzijds en gemakszuchtige corporate culturen die burgerbelangen als sta-in-de-wegs zien. Niks nieuws onder de zon, toch?! Maar wel heel toepasbaar op actuele problematieken die tijdens het live caffee werden behandeld: hacking en de overheid, aardbevingen in Groningen.

Wat misschien ook niet nieuw is -maar wel hoopgevend- is dat de journalist en de expert tegelijkertijd een steeds activistischer houding bij het publiek ontmoeten, zo bleek -uiteraard- al tijdens het live caffee, maar ook tijdens hun dagelijks werk, vertelden ze me achteraf. Niet alleen de getroffenen – ook andere mensen zeggen *iets* te willen doen. En die can-do mentaliteit in combinatie met moderne middelen, die is wellicht wel nieuw…

Afplakken = kwaliteit vragen
Wat dat iets is, wat het publiek zegt te willen doen , is niet wat ik in eerste instantie dacht. Dat was namelijk dat we terugkeren naar een soort ouderwets moralisme, en alle verworvenheden uit de jaren ’60 en ’70 laten wegglippen. Zoals het afplakken van posters met naakte vrouwen getuigt. Maar Kniesmeijer (van dat Adformtie-artikel) vertelde me dat ik dat anders moet zien:

Het is goed wanneer reclamemakers grenzen opzoeken. Aan de rafelranden van de maatschappij groeien de mooiste bloemen. Alleen… heb er dan wel een gegronde reden voor. Eentje die verder gaat dan ‘we wilden edgy voor de dag komen’.

En daarom juich ik nu zelfs het afplakken toe, van tepels van SuitSupply-zeemeerminnen op abri’s in Amsterdam-West. Ik zie het als een roep om kwaliteit in plaats van censuur.

De alledaagse afleiding
Brengt ons bij het laatste punt: waar gaan we heen voor afleiding van (betwistbare) kwaliteit? Grofweg het grootste deel (78%) van de Nederlanders zit nog op vaste tijden een groot aantal uren per dag voor zijn flatscreen, naar de NPO of commercielen te kijken.

Enzo Knol

Een jonger deel, (4% van totale NL’se bevolking in 2013), zeg in de leeftijd van 11 – 18 jaar,  kijkt naar een nieuwe generatie Youtube-helden als Enzo Knol en Mertabi. Ouders en ouderen (21+ en hoger) begrijpen vaak niks van de waarde van deze content, maar we zouden letterlijk beter moeten kijken naar deze video’s.

Zo vertelden twee studenten Content Design van CMD Utrecht tijdens hun presentatie ‘Identiteit in de Youtube-era’: Naast commercieel interessant, zijn het vooral de persoonlijkheden, de onderwerpen en de bijbehorende cultuur die impact zullen hebben op onze maatschappij.

En als laatste is er nog een klein deel van de Nederlanders (7%) dat uitgesteld kijkt, streaming en on demand. Studenten via Popcorntime en uitzendinggemist, en yuppen via NetFlix. Binge-watching, anytime, anydevice, complexe content.

Cijfers: 'Mediatijd in beeld' SCP, p.42

Handvatten voor betekenis: nu!
Mede dankzij het web en mobiele technologie, dat ooit een democratiserende werking werd toebedeeld door vele early technologists en progressieve politici, wordt nu ons gedrag verkocht om ons een gedrag te verkopen. In silo’s, netjes gescheiden van elkaar leven we in keiharde groepen langs elkaar heen. En we komen elkaars verhalen en culturele betekenissen niet tegen, en als dat al gebeurt, begrijpen we ze nauwelijks. Zit je dan, met je ‘samen’leving!

Dus: wie geeft ons de handvatten om van ons leven geen product te maken, en van onze producten geen holle concepten, maar kwaliteit op beide vlakken?  Of gaan jij en ik die zelf maken en brengen?

 

 

 

Wie kan er hier samenwerken met robots en algoritmes?

“You’ll be paid in the future based on how well you work with robots.”

– Aldus techno-optimist Kevin Kelly. Maar hij is niet de enige die robots een grote rol toedicht voor in de nabije toekomst. Zo ook Minister Lodewijk Asscher, die op maandag 29 september 2014 op een congres van SZW in Den Haag sprak over de grote bedreiging van ‘Nederland als misschien wel gelukkigste land‘.  (link via Blendle) En die bedreiging komt niet van IS, niet van Ebola, niet van pensioengaten, maar vanuit technologische hoek – wees bang voor robots, machines en computer-algoritmes.

Exponentiele groei is lastig

Ben jij toekomstbestendig?
In dit verhaal laat ik zien waarom deze vraag steeds relevanter wordt voor al ons werk, en hoe internationaal en nationaal gezien verschillende professionals en bedrijven op deze vraag hebben moeten reageren, met zowel negatieve als positieve voorbeelden. Maar eerst even een klein testje voor jezelf om te bepalen of jouw werk (en je bestaan en je geluk) door een robot of computer wordt bedreigd:

1. Doe je voornamelijk hand- of denkwerk?
2. Volg je bepaalde routines bij het afhandelen van je werkzaamheden?

Antwoord je op vraag 2 ‘Ja’, dan staat jouw soort werk, of op zijn minst een deel daarvan op het spel, ongeacht of je nu hand- of denkwerk doet. Jouw werk zal overgenomen worden door robots en/of algoritmes. En niet per se jouw functie wordt direct ingeruild; nee, meer het soort werkzaamheden die behoren bij jouw beroepsgroep. Een enkele werknemer wordt eigenlijk nooit vervangen door een enkele robot. Nee, nieuwe technologie verandert hele bedrijfsprocessen – gemiddeld 7 jaar na de introductie van dergelijke technologie. Waardoor een deel van jouw werk en dat van je collega’s en die van andere afdelingen wordt samengevoegd, verder gedigitaliseerd en gerecombineerd, ongetwijfeld met behulp van algoritmes. Wat overblijft is een meer supervisor-achtige rol, voor een paar overgebleven human workers.

Hoe ik dit weet? Door het boek ‘The Second Machine Age – work, progress & prosperity in a time of brilliant technologies‘ te hebben gelezen. Een werk dat de laatste tijd veel aangehaald word in de media. Door bijvoorbeeld Bert Wagendorp in een column in de Volkskrant, bij een recente uitzending van Tegenlicht en nog in een stuk van Rutger Bregman voor De Correspondent.  In die verhalen wordt steeds weer geschetst dat we ons in Nederland (en eigenlijk de hele Westerse wereld) zorgen moeten maken over de toekomst van werk & inkomen. En dat we ons hier toch echt snel op moeten voorbereiden. Zelfs De Speld maakt er grappen over. Dat we ons er op voor moeten bereiden, daar kunnen we het over eens zijn. Maar hoe dan, en hoe snel precies?

Uber

Van taxi naar uber naar zelfrijdende bot

Nieuwe en snel uitstervende beroepen en skills
Ondertussen denk je misschien: maar ik heb creatief werk, ik bedenk dingen. Of: ik kan iets bijzonders, of: ik werk met complexe materie en ingewikkelde zaken die meer uitzonderingen kennen dan regels. Dat kan een robot, machine of computer toch nooit?! Leg die vraag dan eens voor aan een oud molenpaard, leg ‘m eens voor aan Gary Kasparov, de schaakmeester die verslagen werd door computer Deep Blue van IBM. Leg die vraag eens voor aan tv-quiz-deelnemers. Leg hem eens voor aan de werkloze callcenter-medewerker in Bangalore, India, wiens werk nu door geavanceerde, artificieel intelligente voice-based-systems is overgenomen. Leg die vraag eens voor aan een taxi-chauffeur die eerst ritjes gaat missen dankzij de app Uber, en binnen een paar jaar door zelfrijdende auto’s verbannen wordt naar de luxe ritjes-niche. Leg die vraag eens voor aan allerhande koeriers die binnenkort door Amazon worden bedreigd met drone-delivery. Leg hem eens voor aan studenten die accountancy of rechten studeren…

Mad men versus Math men
Meer in de creatieve hoek: leg die vraag eens voor aan reclamemannen David Ogilvy of Richard Edelman. Zij moeten met hun ad-agencies tegenwoordig concurreren met technologie-bedrijven, wat ze sowieso al vervelend vinden. En alsof dat niet genoeg is, zitten ze nu ook nog eens midden in zogeheten ‘realtime bidding wars’, waar algoritmes advertenties en advertentieruimte afstemmen, verhandelen en tonen in microseconden – zonder directe tussenkomst van mensen. Leg hem eens voor aan de marketingafdeling van Adobe (van Photoshop), waar manager Aseem Chandra zich eerder dit jaar op SXSWinteractive treffend afvroeg: “Will dashboards push aside storyboards?“.

Nu.nl – dagelijkse algoritme-kost
Over mediainkoop-algoritmes en realtime bidding (RTB) las ik twee weken geleden in het special report ‘Advertising & Technology’ van The EconomistMaar een praktischer uitleg en toepassing ervan kreeg ik op dinsdag 30 september bij Sanoma. Dat deed me beseffen hoezeer we dagelijks al te maken hebben met computers en algoritmes die (een deel van) ons werk overnemen enerzijds, en ons al bedienen als consument anderzijds. Want met dergelijke biedingssystemen werken ze bij Nu.nl dus al een tijdje. Terwijl jouw nieuwsbericht op je computer inlaadt, vindt ondertussen het bieden plaats, en krijg jij, als mens, een advertentie voorgeschoteld die de algoritmes voor jou passend achten – uiteraard op basis van door mensen opgestelde criteria, maar toch. Bij Nu.nl combineren ze dit RTB-advertentie-systeem echter wel met hun ‘premium’-systeem, waarbij meer traditioneel online creatieve uitingen worden geproduceerd door ‘gewone’ mensen.

De hybride samenwerking dus!
Zo werken ze bij Nu.nl dus met hybride oplossingen: mens en machine werken samen. En hebben ze vangnetten en menselijke stops ingebouwd om ongewenste of ongepaste combinaties en advertenties te voorkomen.

En zo raakte ik tijdens het lezen van The Second Machine Age ook benieuwd in hoeverre er in de creatieve sector al gewerkt wordt met, of in ieder geval rekening gehouden wordt met algoritmes. En dus stelde ik die vraag de afgelopen drie weken tijdens bezoeken aan een divers aantal creatieve bedrijven, voor mijn werk bij CMD Utrecht. Hieronder het resultaat van mijn steekproef:

1. DGN Publishers – Droge informatie vergelijken
Bij DGN Publishers (o.a. van Zorgkiezer.nl en DeGoedkoopsteNotaris) zag een medewerker de analyse en vergelijkingsmatrix wel door algoritmes worden overgenomen. En dat beangstigde ook een beetje. Maar de afstemming van de in feite droge informatie op specifieke menselijke behoeften, de creativiteit om het op een geschikte, verrassende manier aan te bieden zag hij als onmis(ken)baar mensenwerk.

2. Buddha to Buddha – Handcrafted zit in het DNA
Een heel ander bedrijf, BuddhaToBuddha, focust op het eigen DNA en daar is het handgemaakte, en daardoor unieke niet door robots te creëren. Daar wilde ik wel in meegaan, totdat ik deze video zag in een post van Clive Thompson op Medium:

3. Werken voor een database
Bij de NOS vertelt Elger van der Wel aan alle journalisten dat ze werken voor een database, niet voor een medium. En dat een (responsive) algoritme uiteindelijk bepaalt hoe de content er op het device voor een specifieke gebruiker er uit komt te zien – of het nu teletekst, een horloge, smart tv of good old desktop pc is. Dat bepaalt dus de designer niet, de technicus niet, de netmanager niet, en de journalist al helemaal niet meer.

4. Algoritmes voor performance & engagement analysis
Bij dlvr – http://www.dlvr.nl/ – een strategisch online marketing bureau – werken ze al samen met algoritmes, o.a. met analytics dashboards om ROI te meten en sentiment te tracken, door online conversaties te monitoren en mate van loyaliteit te kunnen identificeren. Met deze statistieken, analyses en andere inzichten als basis ontwikkelt en ontwerpt dlvr vervolgens hun creatieve campagnes, met interne en externe professionals van vlees en bloed.

5. Algorithm-based service journalistiek
Als laatste voorbeeld, wil ik kort een concept schetsen (waar ik niet teveel over mag verklappen) van studenten van de nieuwe HU-minor Future News Media (waar ik zelf lesgeef), waarbij algoritmes bestaande journalistieke content verwerken en recombineren, zodat daarmee een service geboden kan worden voor een specifieke nieuwsbehoefte die zich waarschijnlijk ook veel voor zal (gaan) doen bij de wearable/mobile nieuwsgebruiker. Erg benieuwd of het proof-of-concept dat ze nu aan het uitwerken zijn echt future-proof is…

Bevat jij werkelijk wat exponentiële groei inhoudt? Kijk eens naar 2007!
En als je nu denkt: oke, dat zou kunnen, (een deel van) mijn werk wordt in de toekomst overgenomen door een machine of computer, maar zo snel zal het toch niet gaan? En daarnaast: ik kan waarschijnlijk wel samenwerken met een robot of computer (ook als het moet), dus dat komt goed. Dan hier nog een laatste ding om te beseffen. Wellicht ken je die legende over de bedenker van het schaakspel, die van de keizer een cadeau naar eigen keuze mocht bepalen – niks zou te gek zijn. De bedenker verzon iets geniaals: een verdubbeling van het aantal rijstkorrels per ieder nieuw vlakje op het schaakbord, te beginnen met een korrel op het eerste vlakje. Enzovoorts. Naar het schijnt zitten we sinds 2007 technologisch gezien op een soort van ‘tweede helft van het schaakbord’ oftewel: we bevatten niet meer hoe snel computers zijn en nog gaan worden, hoeveel data er omgaat in de wereld, hoe veel opslag we nodig hebben en hoe weinig digitale informatie-opslag nog kost en hoe klein hardware en sensoren al zijn. 2007 was het jaar dat de Kinect van Microsoft werd geïntroduceerd, de eerste iPhone en tal van andere technologieën betaalbaar, klein en krachtig genoeg werden voor consumenten-toepassing. Dat is 7 jaar geleden. Daaruit is nieuw werk ontstaan, maar ook veel soorten werk verdwenen. In welk jaar ben jij dan een deel van je werk kwijt, en in welk jaar je inkomen? Of heb jij een nieuw soort werk gevonden waarbij je technologie voor je laat werken, in plaats van dat het je overneemt?

 

bananen, auto’s en heartbleed – het probleem van de mono-cultuur

Wist jij dat er een verband is tussen bananen, auto’s en een computerbug? Ik ook niet, totdat ik op zaterdag 12 april in de Quartz-nieuwsbrief de volgende prikkelende analyse van een persoon genaamd Tim Fernholz kreeg te lezen:

On Monday, the makers of the most widely-used security software on the web announced a bug — Heartbleed —that exposed millions of people’s data and passwords, perhaps the worst breach in the relatively young life of the internet as we know it. On Wednesday, Toyota joined GM in recalling millions of its cars. At this pace, more cars will be returned to automakers by Americans this year than ever before.

And have we mentioned bananas are dying out?

The global economy seems to lend itself to these situations. How did your passwords get exposed? A volunteer working to maintain open-source cryptography software made a simple error. For two years, no one noticed, but millions of companies were relying on it (because it was free) to protect customers’ financial transactions and Facebook pictures. Why so many faulty cars? In part, because cheap mass production demands the same parts be used in as many cars as possible: In GM’s case, millions of ignition switches just 1.6 millimeters too short. Why are we losing our bananas? Industrial farmers and poor countries alike have largely relied on just a single species of banana, the Cavendish, that is easy to grow and transport—but quickly succumbing to epidemic disease.

It won’t be the first banana species to have gone virtually extinct, let alone the first monoculture crop to prove vulnerable. But the Heartbleed bug and mass car recalls stem from a similar over-reliance on one variety to maximize efficiency. In the case of cars and bananas, the cost of fixing the problem at first seems too high, but then becomes both enormous and unavoidable; GM’s decision to delay addressing its ignition problem because it cost too much brings to mind Ford’s dallying over the Pinto recalls of the 1970s. With Heartbleed, the cost is still unclear. What is clear is that in a globalized, standardized, monoculture world, one unexpected error can quickly become everyone’s problem.

waarom deze video an sich niet werkt

“Ik ben geen groot fan van TEDx. Er is iets mis mee…”

In het hol van de leeuw mocht ik op donderdag 17 april in de Stadsschouwburg in Utrecht vertellen waarom TEDtalks niet werken volgens mij – en volgens wat wetenschappelijk onderzoek. En dan ook nog eens op het podium bij … TEDxUtrecht!

Bron: TEDxUtrecht – Flickr

Waarom dan wel een praatje?
Een aantal opdrachtjes, een ritje op een OV-fiets en een spannend ruilmoment later, bleken de meeste mensen zich goed gedragen te hebben, tot ver na mijn talk. Ondanks die grote, zenuwachtige vraag of de portemonnee, de trouwring, het nummertje voor de jas of de Samsung Galaxy smartphone wel terug zou komen.

Hebben zij hun precious object al teruggekregen...?

Hebben zij hun precious object al teruggekregen…? Bron: TEDxUtrecht – Flickr

Kijk-eis:
je mag deze video alleen kijken als je er daarna ook echt iets mee doet. Anders blijft het misgaan met TEDx…

Krijg je geen genoeg van kritiek op TED, lees dan deze twee stukken:

En uiteraard wil ik de organisatie van TEDxUtrecht bedanken dat ik hun podium mocht gebruiken om dit verhaal te vertellen en te practicen what I preach. En many thanks to Joni Bais van Great Communicators voor het perfectioneren van mijn verhaal.

Over selfies, strangers en schijnzaken

Afgelopen dinsdag keek ik met twee collega’s naar een aantal tongzoenende mensen. Het was een video, een experiment. De zoeners kenden elkaar niet. We waren vertederd, voelden de spanning, het ongemak. En met mij binnen een dag nog zo’n 6 miljoen andere kijkers.

Wren L.A.

Een dag later bleek het een viral – een commercial voor een kledingmerk uit Los Angeles. De mensen in de video dragen allemaal kleding van het merk Wren. Lees er een artikel over op Adformatie.

Wat moeten we hier nu als professionals van vinden? Is het een superieure viral? Wat als de zoeners wel echt vreemden voor elkaar waren? Is mijn gevoel als kijker bij het filmpje minder waard nu blijkt dat er een kledingmerk achter zit? Of dat mensen er geld voor kregen? Waarom wordt juist deze video zoveel gedeeld en bekeken nu?

Selfie Ellen Degeneres

Trillion dollar tweet
Een week eerder maakte Ellen DeGeneres de meest gedeelde selfie evvah, tijdens de Oscar-uitreikingen. Bleek Samsung achter te zitten. Ook minimaal 3 miljoen keer gedeeld online, en door exponentieel zo veel mensen gezien. Slim of uitgekookt, of beide? Lees een van de eerste analyses op medium.com.

“You have the power to change, and redefine what beauty is!”

Selfies voor Dove
Een paar dagen later werd ik via Twitter geattendeerd op een video over dochters en moeders die samen selfies maken en zo leren accepteren dat ze al mooi zijn zoals ze zijn. Heel Amerikaans wellicht. En aan het eind staat daar Dove als afzender bij. Hypocriet? Ook al bijna een miljoen keer bekeken. Check wat je er zelf van vindt:

Tegenlicht
Filosoof Koert van Mensvoort zegt in de Tegenlicht-uitzending van zondag 9 maart 2014 dat we moeten ophouden met de discussie over of iets echt of nep is. We leven namelijk in het (informeel geaccepteerde) Anthropocene tijdperk en daar zijn steeds meer kunstmatige zaken net zo echt als de origineel geachte natuur.

Waar gaat het ons nu echt om? Even selfie-ontspannen!
Geen zin om daar over na te denken, en wil je wel innovatieve nieuwe selfies maken? Download dan CamMe, met een natural user interface selfie-ontspanner!

Hoe Obamacare gered werd door een Silicon Valley Rescue Team

Dit verhaal gaat over hoe politiek en technologie met elkaar verweven (kunnen) zijn. En het was dankzij falen van technologie bijna verkeerd afgelopen voor misschien wel het grootste accomplishment van een president in de USA ooit: zorgverzekering voor iedereen.

In een groot achtergrondverhaal van Time Magazine lees je hoe een team bright minds uit Silicon Valley vrijwillig, binnen zes weken, de grootste problemen met healthcare.gov wist op te lossen:
http://content.time.com/time/magazine/article/0,9171,2166770,00.html (volledige artikel heb ik kunnen lezen met m’n tabletreader ‘Readability’, zonder in te loggen of te betalen!)

Klein beetje achtergrond alvast:
Toen op 1 oktober 2013 de website healthcare.gov live ging, en al 300 miljoen dollar had gekost, werd deze geplaagd door grote technische mankementen. De reconstructie in Time Magazine aankomende week laat zien hoe het Witte Huis geen idee had wat te doen. Uiteindelijk werd de geloofwaardigheid van Obama’s Zorgwet gered door een adhoc team van Silicon Valley techies (van o.a. Twitter, Google, venture capitalists e.a.) die dag en nacht doorwerkten, zodat Amerikanen zich aan konden melden voor een zorgverzekering.

Paar interessante punten/learnings uit het stuk:
  1. Er was geen duidelijk leiderschap over het project
  2. Er werd gelogen: website kon de drukte niet aan, maar dat is, zeker in het land van de massa en Silicon Valley, geen excuus, en was ook niet waar.
  3. De site ging in een keer live voor 365 miljoen mensen. Doe dit altijd gefaseerd. Weet iedereen in Silicon Valley!
  4. Informatie uit de database was niet vooraf gecached, waardoor er te grote druk op de servers ontstond en ze bij bosjes omvielen. Weet iedere techie.
  5. De fixers hielden elke dag twee stand-up meetings (Twitter-developmentstyle) waarbij solving problems het enige doel was. Schuldigen aanwijzen deden ze ergens anders.

President Obama besefte maar al te goed in hoeverre technologie ‘zijn’ achievement kon maken of breken:

“The president would end pre-launch meetings by saying, ‘I want to remind the team that this only works if the technology works.’”
Ook een probleem volgens een van de redders: er waren teveel marketeers en communicatiemedewerkers bij het project betrokken, en te weinig goede ontwerpers en developers:
“Attendees at the pre-launch meeting were…policy people, pollsters or communications specialists focused largely on the marketing and political challenges of enrolling Americans”
Op 17 oktober vroeg Obama zelfs of de hele site niet ‘gescrapped‘ kon worden, of dat ‘ie nog ‘salvageable‘ was.
En er was zelfs een Apollo 13 moment…
Zes weken later werkte de site, en konden miljoenen Amerikanen zich verzekeren. En er is nog steeds werk te doen. Het artikel eindigt met de vraag: de website werkt. Maar zal Obamacare werken? We zullen het zien…