Touching the news – wanneer journalisten hun lezers aanraken, en zij hen

headerAppleWatch-brokenglass

Don’t worry. Ondertussen is deze smartwatch alweer gerepareerd.

Waarschijnlijk verbaast het u niet, maar wij Nederlanders raken elkaar veel minder (sociaal) aan dan de meeste andere Europeanen en wereldburgers. Gijs Huisman, momenteel bezig met promotie-onderzoek naar ‘social touch technology’, vertelde tijdens de eerste Internet of Touch-salon dat:

“Nederland kan worden beschouwd als een ‘low-touch’-land.”

Niet veel ogenblikken later zaten wij, wildvreemde doch zeer geïnteresseerde bezoekers van de salon, elkaar fysiek aan te raken en raadde ik welke emoties mijn salonpartner aan mij probeerde te communiceren, in opdracht van diezelfde promovendus. (‘Sympathie’, zo bleek, is overigens lastiger te interpreteren bij de ontvangers dan ‘boosheid’.)

Lees verder

Nieuws: hacking the dead on arrival, forever

Dit stuk beschrijft niet hoe het medialandschap verandert, maar hoe het landschap meer als een heelal is: het dijt uit en uit en uit. Nu de meeste nieuwsorganisaties de nodige stappen naar web en mobiel hebben gemaakt (nou ja, soort van), is ‘het landschap’ alweer verder getrokken richting broadcast social, narrowcast messaging en conversational chapps. En is e-mail daarnaast aan een renaissance bezig. Wat dit allemaal inhoudt, beschrijf ik hier aan de hand van voorbeelden en artikelen, gevonden voor u op het web en besproken met key players.

Lees verder

Nieuws in tijden van the Internet of Things

Deze blogpost verscheen eerder op www.journalismlab.nl

Het is 2015, je reist bijvoorbeeld met het openbaar vervoer naar je werk of studie. Tijdens je reis, die al begint bij het opstaan, vragen tientallen berichten om je aandacht. Via verschillende schermen komen ze tot je: als je je ogen nog maar net open hebt, check je je smartphone, (soms) radio, televisie en -steeds minder vaak- een ouderwetse papieren krant. Vervolgens krijg je reclame- of overheidsboodschappen tot je in de openbare ruimte. Via een abri bij de halte of op het perron of op een scherm in de bus, trein of tram. Tussendoor kijk je nog een aantal keer naar je eigen smartphone, en gebruik je 3 a 4 apps hooguit om berichten te checken. Een enkeling kijkt tijdens deze reis op haar slimme horloge, al is dat anno 2015 nog verre van gebruikelijk…

“Als ik letterlijk via mijn pols kan voelen dat jij gestresst bent, dan stuur ik mijn relaxte hartslag gewoon aan je terug. Ik denk wel dat dat helpt.”

Het is 2021, je reist met het openbaar vervoer naar je werk of studie. Tijdens je reis, die al begint bij het opstaan, vragen tientallen berichten om je aandacht. Maar dit keer niet alleen via schermen. Nee, de berichten bereiken je ook via aanraking, je kunt ze proeven, je voelt ze, je ruikt ze en hoort ze. En je krijgt die berichten niet alleen via meerdere zintuigen binnen, nee, je verstuurt ze zelf ook op al die nieuwe manieren, met alles en iedereen.

tcams15_headerlogo

Hier op ThingsCon2015 in het Volkshotel in Amsterdam (ja, het oude Volkskrantgebouw) is dit laatste scenario verre van toekomstmuziek. Lezingen, workshops en pitches gaan over de wereld van fysieke objecten (things) die door middel van sensoren en een internetverbinding met elkaar, met mensen en met organisaties in verbinding staan.

Eerst vragenstellen, dan innoveren
Waar je in eerste instantie zou verwachten dat op een evenement als deze, vol programmeurs, designers en techneuten, vooral crazy ideas en ongekende mogelijkheden worden besproken in ongebreideld enthousiasme, valt hier vooral ook op dat niet rücksichtslos in louter technische mogelijkheden wordt gedacht en gesproken.

De talks gaan dan ook over:

  1. Begrip voor nieuwe systemen bij gebruikers
    Wat zullen gebruikers de eerste paar jaar wel en niet begrijpen van deze nieuwe systemen, waarbij interacties tussen hardware, software en services nieuwe uitdagingen met zich meebrengen, voor zowel bedenkende partijen als gebruikers? Een veelgebruikt (en beschouwd als ‘goed’) voorbeeld tijdens deze dag, is de Nest-thermostaat, die op internet aangesloten is, en je met een app kunt bedienen.
  2. Vertrouwen is essentieel
    De realisatie en het succes van echt waardevolle toepassingen en het gebruik ervan, zal vooral op vertrouwen gebaseerd zijn. Hoe ontwerp je voor vertrouwen? De leverancier van de nieuwe, connected devices en services zal op meerdere terreinen moeten laten zien dat jouw fysieke spullen blijven werken, veilig zijn en dat jouw dierbaren niet in gevaar kunnen komen door jouw acties.
    Denk hier maar eens aan: als je je stoel, je plant, auto en winterjas op internet aansluit, wie kunnen daar dan nog meer bij en/of invloed op uitoefenen? Wat gebeurt er als jouw persoonlijke leefomgeving en voorwerpen ‘op internet gaan’. Wat doen ze onderling? En waarom zou je dat dan willen? Welk gemakt dient het uberhaupt? De VTech-hack wordt een paar keer aangehaald.
  3. Gedragscode voor ontwikkelaars
    Bedenkers/bouwers/ontwerpers moeten bij al hun ideeen starten met een code of ethics. Mooi samengevat in het IoT Design Manifesto.De kritische en reflectieve vragen komen vooral ook in de presentatie van Paul Hekkert naar voren. Hij is hoogleraar vormtheorie aan de faculteit Industrieel Ontwerpen Technische Universiteit Delft. Immovator tekende zijn woorden op in hun verslag:

    “Waar willen we dat het naar toe gaat? [Paul Hekkert] haalde de Self Determination Theory aan en benadrukte dat het, naast het experimenten, ook belangrijk is om soms op een ander niveau te reflecteren op de ontwikkelingen. Wat voor impact heeft de techniek op onze competence, autonomy en relatedness? Het is zeer nuttig om te spelen met de nieuwe techniek en nieuwe kansen te ontdekken, maar vergeet niet om ook af en toe stil te staan bij de reden waarom we dingen doen.”

 

Heerlijke nieuwe connected wereld?
Desalniettemin is het inderdaad ook heerlijk om door te denken over wat al deze nieuwe mogelijkheden voor de journalistiek en andere domeinen kunnen betekenen. Zo liet ik mijn lichaam 3D-scannen zodat mijn kledingadvies relevanter wordt en what-to-wearkeuzestress straks verdwijnt.

De schoppende baby – voelen in en buiten de buik, op afstand
Bij de workshop Connected bodies bedachten we de Babybonder, waarbij een zwanger koppel door middel van speciale connected en haptic t-shirts de fysieke zwangerschapservaring deelt met elkaar.

En de journalistiek?
Beeld je het volgende eens in: tijdens het ontbijt en het douchen wordt je bijgepraat door je audio-volgsysteem. De inhoud en vorm ervan zijn aangepast op jouw gedrag, stemming en fysieke locatie, zowel binnenshuis als buiten. Het belangrijkste nieuws komt van je vrienden, sociale netwerk van peers en dat wat vroeger voor journalistiek doorging. Maar niet meer via die op de massa gerichte print-editie of speciale app, maar voorgedragen door je favoriete stem. Voor jou samengevat, op jou afgestemd, en misschien wel geprint op je kleding. Bij een protestverslag voelt je de hartslag van de reporter en actievoerders. Je kleding spant zich aan. De temperatuur in je jas daalt.

Dit is wat je vandaag moet weten … en dragen!
En terwijl jouw nieuws zich in alle dimensies personaliseerde en jij onder de douche stond, is je spijkerbroek in gesprek gegaan met de rest van je garderobe op basis van het weer, je gemoedstoestand en het soort afspraken dat je vandaag hebt. Je gaat weg en vergeet de thermostaat lager te zetten, maar eigenlijk was dat ook niet nodig. Hij detecteerde al dat je weg was, en trouwens: hij weet doorgaans hoe laat je deur uitgaat op vrijdag.

In de bus starten je sokken een gesprek met de laarzen van je mede-passagiers, en wisselen uit welk nieuws hun drager (jij) al hebben geconsumeerd. Zo krijg je tips om eventueel een gesprek te starten op basis van wat jullie allebei al weten -of juist nog niet- van die belangrijke gebeurtenis in Canada. Je krijgt feedback over wie er fit is in je omgeving op het moment en hoe dat is gelukt. Je broekriem trilt als je langs een goedkope gym komt en bewaart een aanbieding in de cloud. Je tas bewaart een tip over waar die ene gezonde persoon zijn recepten vandaan haalt. Als je later die dag in de supermarkt komt, licht je tas op als je de benodigde ingredienten nadert.

Op basis van nieuwe informatie over wegopbrekingen op je route straks, geven je schoenen aanwijzingen voor een ander pad met de fiets vanaf het station.

Finally, wat de journalistiek zich dient te beseffen…
En ergens in de nabije toekomst, in deze al dan niet realistische scenario’s, zullen ook nieuwsorganisaties opnieuw moeten strijden voor een plekje in het ritme van de lezer/voeler/ruiker/proever/luisteraar. Net als in 2015. Maar dan met nog meer platformen, nog meer apparaten, nog meer objecten en nog meer onverwachtse concurrenten. Met nieuwe kansen en nieuwe bedreigingen. En vooral opnieuw uit te vinden en aan te passen routines. En met een onveranderde taak en dezelfde missie als altijd.

En, wat doen we voor de gebruiker

Deze blogpost verscheen eerder op www.journalismlab.nl

“En, wat doen we voor de gebruiker?” is wat mij betreft de startvraag voor elke journalist, iedere nieuwsorganisatie en -professional die relevant wil zijn en blijven in dit tijdperk.

De werkelijke crisis van de journalistiek
Maar het is juist een vraag die keihard ontbreekt in de journalistieke industrie, wanneer er gedebatteerd wordt over de toekomst van de professie. Het publiek – de lezer, kijker en/of gebruiker van nieuws- speelt een marginale rol in het denken en wordt hoogstens als instrumenteel gezien en niet of nauwelijks betrokken bij nieuwe plannen.

Uit een recent promotie-onderzoek van Klaske Tameling naar crossmediale dilemma’s op Nederlandse nieuwsredacties blijkt dat wordt gekeken naar problemen en oplossingen vanuit voornamelijk interne perspectieven. De buitenwereld lijkt niet echt binnen te dringen in de traditionele journalistiek. De mensen die wel een nieuw perspectief kunnen bieden, worden als tweederangs gezien of genegeerd, en naar gebruikers of niet-journalisten wordt alleen geluisterd als het geluid bekend is of bevalt. Een recipe for disaster waarmee iedere gezonde kritiek wordt uitgeschakeld en kansen op overleving geminimaliseerd worden.

Veranderende routines betekent verdwijnende organisaties
Wat blijkt nog meer: journalistiek werk blijft nodig, maar de manier van organiseren is toe aan verandering door nieuwe ritmes, overvloed in plaats van schaarste en door cultureel-maatschappelijke veranderingen. Wetenschapper Jo Bardoel, zo haalt Tameling aan, stelt dat de maatschappelijke missie van de journalistiek onveranderd blijft. Wat verandert zijn de routines.

En om die routines aan te passen aan de huidige maatschappij zou de journalistiek wat mij als designer betreft toch eens moeten beginnen met luisteren, kijken, vragen en zoeken buiten de eigen veilige groep. 

boekcover

En, hoe convergeren ze?
Tot op de dag van vandaag staat ‘verandering’ voor veel journalistieke professionals gelijk aan ‘crisis’. Wat de industrie zelf als aanleiding voor problemen, veranderingen en oplossingen zag in de periode 2007-2011, en hoe daar op ingespeeld werd, beschrijft Tameling in haar onlangs verschenen proefschrift ‘En wat doen we online? Crossmediale dilemma’s op de Nederlandse nieuwsredactie’:

“De traditionele journalistieke cultuur en dus de onderliggende gemeenschappelijke ideologie, wordt door economische, culturele en technologische ontwikkelingen ter discussie gesteld. Maar het punt is niet, zoals Deuze beargumenteert, dat er iets mis zou zijn met die traditionele professie. De veranderende maatschappij maakt een heroverweging van de journalistieke professie echter noodzakelijk om uiteindelijke relevant te blijven.”

Fraai tijdsdocument voor context, begrip en verbazing
Tameling weet de implicaties van die heroverwegingen voor het dagelijks werk op de nieuwsvloer goed te treffen met haar proefschrift. Het biedt een rijk overzicht aan bestaande literatuur over, en onderzoek naar de journalistieke industrie en context. Vervolgens wordt deze metastudie gecombineerd met eigen etnografisch onderzoek, uitgevoerd op nieuwsredacties van NOS, FD Mediagroep en de Volkskrant en verder aangevuld met beleidsstukken, notities, interviews en verkregen chatsessies van redactiemedewerkers. Als derde en laatste onderdeel bevat het werk een zestal aanbevelingen die iedere journalist en nieuwsorganisatie ter harte zou moeten nemen.

Aandacht voor de ander & verandering
Een van die wat mij betreft belangrijkste aanbevelingen – besteedt aandacht aan verandermanagement – heeft feitelijk niets met de journalistiek als professie te maken. Dat dit uberhaupt een aanbeveling is, zou pijn moeten doen. Het toont de tekortkoming, de onkunde en wellicht ook de onwil van een beroepsgroep om aan eerlijke zelfreflectie te doen. Ik vind het stuitend dat een beroepsgroep die het gewend is anderen de maat te nemen, normaliter oorzaken en gevolgen vanuit verschillende perspectieven onderzoekt en op zoek zegt te zijn naar ‘de waarheid’, dezelfde ethiek niet op de eigen professie van toepassing acht. Of op z’n minst probeert toe te passen. Tameling merkt hier over op:

 “Het is een veelvoorkomend probleem in veranderingsprocessen, dat het juist de leiding ontbreekt aan het effectief toe kunnen passen van nieuwe inzichten over de eigen organisatie. Zij zitten namelijk net als de rest van de redactie gevangen in het patroon dat ze zelf willen doorbreken. Deze leidinggevenden zijn eveneens het resultaat van jarenlange (traditionele) professionalisering.“

Problematisch daarbij is dat blijkt dat alleen leiders met een traditioneel journalistieke achtergrond worden geaccepteerd in eigen kring, maar dat deze mensen juist met leidinggeven geen ervaring hebben, en met vernieuwing vaak weinig affiniteit. Het zijn dit soort dilemma’s in combinatie met een beperkt referentiekader en oud paradigma-denken waarmee de journalistieke industrie zichzelf in een wurggreep houdt. En alhoewel Tameling goed afstand weet te bewaren, zijn er in ieder geval twee momenten in het boek waarin ze zelf ook aannames doet vanuit het ‘oude paradigma-denken’, die verder niet worden onderbouwd:

  1. “Wat nieuw en anders is aan online media is dat de journalisten direct inzicht hebben in alle statistieken en dus in de daadwerkelijke behoefte van het publiek.”
  2. “In een journalistieke omgeving staat een ‘u vraagt, wij draaien’-strategie bovendien haaks op de professionele – controlerende en democratische – uitgangspunten van de journalistiek. “

De eerste bewering is gewoonweg te kort door de bocht. De tweede bewering impliceert niet dat het een het ander uitsluit. Met de uitnodiging aan het publiek om aan te geven aan welke onderwerpen of extra informatie het behoefte heeft, geeft de journalist niet automatisch ook zijn eigen inzicht, vrijheid, beoordelingsvermogen en onpartijdigheid op. Het kennen van de behoefte, en het in dialoog gaan met het publiek, zijn wat mij betreft twee van die routines die de journalist zich eigen dient te maken om relevantie te behouden, en waarmee de professionele uitgangspunten en journalistieke missie behouden blijven.

Geen unieke positie meer
Het gegeven dat in dit tijdperk zowel de journalist als de journalistiek in het algemeen niet (meer) in een unieke positie verkeert, is tot de industrie zelf nog maar weinig doorgedrongen. Tameling spreekt van een Calimero-complex bij online-redacteuren. Je kunt hier direct aan toevoegen dat de meer traditionele journalist tegelijkertijd lijdt aan een God-complex. Voor een buitenstaander is na het lezen van werk het van Tameling eenvoudig te constateren dat de industrie klassieke fout op klassieke fout begaat:

  1. Journalistieke organisaties zijn niet bijzonder of uniek in het kijken naar en aanpakken van de huidige, 21e eeuwse problemen en crises.
  2. Alhoewel de problemen legio zijn en ze beroepsspecifiek lijken, worden ze net als in andere industrieën vooral verkeerd begrepen, worden er onjuiste oorzaken geïdentificeerd, verkeerde conclusies getrokken en acties ondernomen die zowel in woord als daad vaag en ondoordacht zijn.
  3. De geschetste oplossingen bij de drie redacties zijn in ambitie even groot als in onduidelijkheid. Hoe wat door wie bewerkstelligd dient te worden (en wat als succesvol wordt beschouwd), blijft voor vrijwel alle medewerkers, op welk van de drie onderzochte redacties dan ook, vaak onduidelijk, en daarmee wordt het nieuwe convergente werken dan ook voornamelijk als onbevredigend en frustrerend ervaren.
  4. Nieuwe denkwijzen, ontwikkelingen en factoren van invloed worden onderschat of niet gezien.

Dit laatste punt is het best te illustreren met een opgetekende opmerking van een internetredacteur van de Volkskrant:

“Een van Remarque’s eerste interviews was een duo-interview samen met Vandermeersch in De Morgen. Dat heb ik vol verbazing gelezen. Hij zei dingen als: “Internet heeft gewoon een Teletekstfunctie, het is koppen snellen.” In mijn optiek ondermijn je dan gewoon een hele generatie die niet is geabonneerd op een krant. Het klinkt ontzettend hautain en eigenlijk ook een beetje dom want dan heb je je er totaal niet in verdiept.”

Naast ‘een beetje dom’ zijn en het ondermijnen van het eigen en potentiele (online) leespubliek, diskwalificeert de hoofdredacteur van de Volkskrant hiermee ook een deel van zijn eigen medewerkers.

Een journalist lost niet op
Op een andere manier exemplarisch voor het negeren van mogelijkheden of niet buiten het eigen perspectief kunnen kijken, zijn een aantal eerdere recensies op het proefschrift, dat Tameling op haar werk ontvangt vanuit journalistieke kring. Zo heeft The Post Online duidelijk geen oog voor een belangrijk onderdeel van het onderzoek: de genuanceerde kijk op het ambidextrous design. Chris Aalberts komt niet verder dan een korte termijn-oplossing voor het, inderdaad, intern gepercipieerde probleem van financiering. Hij schrijft:

“Redacties kunnen dus wel creatiever moeten zijn en een hogere dunk van online journalistiek hebben, maar wat als die creativiteit geen geld oplevert? Dan ben je toch weer terug bij het oude idee dat je de beste en creatiefste ideeën niet gratis online weggeeft maar in de krant zet, want daar betalen mensen voor. Of de krantenoplages dalen of niet, je verdient dan ten minste wat.”

Alexander Pleijer schrijft op Villamedia:

“De vele voorbeelden waarmee Tameling kwistig strooit zijn veelzeggend […] Eigenlijk zou je er beeld bij willen zien. Je zou het ze willen horen zeggen. Een documentaire, dat zou een mooie vorm zijn.”

Pleijter geeft hier wat mij betreft indirect aan liever naar zichzelf en de zijnen te willen kijken in een documentaire, dan werkelijk de problemen onder ogen te komen, met de billen bloot te gaan, en vervolgens oplossingen te bedenken waarmee de beroepsgroep zijn relevantie hervindt en blijft waarborgen.

Paradigma’s en innovator’s dilemma’s
Je zou kunnen beweren dat geen enkele traditionele industrie opgewassen is om goed uit een paradigma-verschuiving te komen. IBM en Mountain Dew zijn misschien een paar van de weinige voorbeelden. Maar de journalistiek had op zijn minst lering uit andere industrieën kunnen trekken om om te gaan met het zogeheten innovator’s dilemma. Men heeft niet tijdig erkend dat het vakgebied structureel aan het veranderen was, heeft niet kritisch naar zichzelf gekeken en is niet met open vizier naar buiten gegaan. Andere industrieën die hen voorgingen, en om soortgelijke redenen naar relevantie en bestaansrecht zochten, hadden kunnen inspireren, nieuwe ideeën helpen valideren en kunnen bijdragen aan het herpositioneren van de nieuwsindustrie. Bedenk eens wat men had kunnen leren van de muziekindustrie ten tijde van Napster, de iPod en Spotify? Wat van de lessen bruikbaar was geweest uit de reisbranche (Booking.com, AirBnb), de fashionwereld (bloggers, Zara, Zalando), de industrie voor audiovisueel entertainment (HBO, NetFlix, Amazon) of de vervoersmarkt (Lyft, Uber)? Misschien is het nog niet te laat…

Hoopgevende initiatieven
Dat zowel traditionele als pas opgerichte nieuwsorganisaties in ieder geval –en gelukkig maar- blijven experimenteren, is te zien aan de meer recente nieuwsproducten, -services en one off producties. Een niet-representatieve greep uit verschillende service-gerichte benaderingen die de gebruiker meer centraal stellen: het ontbundelen van content door blendle, de plannen van DeCorrespondent om van de lezers-community ‘leken-experts’ te maken en NOS Nieuws die vier soorten nieuwsbehoeften heeft gedefinieerd en op basis daarvan het nieuws selecteert (onderwerp), verwerkt & produceert (invalshoek, medium) en passend publiceert (kanaal en groep). Een ander initiatief dat hoopgaf maar halverwege 2015 sneuvelde was de samenwerking van vrijwel alle Nederlandse nieuwsuitgevers (behalve NRC) in Newz BV. Ook de radicale vernieuwing en exploratie die TMG met zijn Startups-initiatief zocht is ondertussen afgebroken: het project is ter ziele. De Persgroep probeert met haar shovelware-app Paper vooral nieuwe inkomsten uit voornamelijk bestaande content te genereren, maar dit zal de benodige vernieuwing en relevantie op lange termijn waarschijnlijk niet brengen. NRC Q biedt nieuws op maat gemaakt voor een niche doelgroep, met een andere toon, via bekende digitale en experimentele kanalen (o.a. nieuwsbrief, eigen site en Whatsapp). Eenmalige experimenten met meer multimediale content en veel aandacht voor design, zijn te vinden bij de Volkskrant met de zorg-flexread en bij NRC Handelsblad met de Berrie.

 

Een nieuw perspectief: design thinking
Maar het is allemaal nog niet voldoende… Want naast Tamelings aanbevelingen voor het blijven experimenteren, samenwerken tussen organisaties, het samenstellen van interdisciplinaire teams en aandacht hebben voor verandermanagement, moet er meer gebeuren. En dat is: gebruik maken van de buitenwereld. Dat kan methodisch, door vanuit een nieuw perspectief te denken, kijken en te werken. Vanuit mijn eigen professie, die van user experience design, ben ik ervan overtuigd dat er door zogeheten design thinking methodes veel relevantere, rijkere en levensvatbare oplossingen kunnen worden gevonden voor de journalistiek. Tegelijkertijd realiseer ik me hierbij dat ook dit perspectief niet volledig en/of toereikend zal zijn om de crisis waarin journalistieke organisaties verkeren het hoofd te bieden. Maar een frisse blik levert het op z’n minst…

Start with the user

Een mooi perspectief en aanknopingspunt dat Tameling hiervoor biedt is het zogeheten ‘ambidextrous design’ als oplossing voor het innovator’s dilemma: hoe kun je blijven doen waar je goed in bent, terwijl je weet dat dat op een gegeven niet meer werkt? Wanneer enerzijds de oude manier van werken genoeg oplevert en wanneer onduidelijk is wat de nieuwere transities zullen betekenen en opleveren, wat doe je dan als organisatie? Ambidexterity heeft te maken met het vermogen van een organisatie om te kunnen wedden op twee paarden: die van exploitatie en die van exploratie; een design thinker kan helpen beide zijden van het ambidexterity-model te combineren door een feedback-loop te creëren: incrementeel vernieuwen aan de (bestaande) exploitatie-kant en radicaal ontwikkelen op de (nieuwe) exploratie-zijde. En dit continu op elkaar afstemmen, met de juiste vragen, hypotheses, doelen en metrics for success. Om dit proces doordacht te gaan doorlopen, zou ik als designer de volgende stappen willen adviseren:

  1. Start eens met je eindgebruiker
  2. Ontdek de behoeften van je gebruiker samen met medewerkers uit alle geledingen van de organisatie
  3. Hanteer hierbij de zogeheten design thinking-methodes van Stanford’s d.school, in de opeenvolgende fases ‘empathize – define – ideate – prototye – test

Wie zijn de deelgenoten van de toekomst?
Voor mij heeft Klaske Tameling met haar promotie-onderzoek naast de aanbevelingen en nieuwe inzichten ook aanknopingspunten geboden voor niet-journalisten, zoals o.a. designers. Voor een ieder die geïnteresseerd is in de journalistiek, zowel in het beroep, de industrie als in de toekomst ervan, biedt haar werk een bijzonder fraaie en unieke inkijk. Een specifiek tijdsdocument van een industrie met traditionele spelers die hun relevantie en positie proberen te hervinden in een voor hen veranderende omgeving. Of we met dit etnografisch onderzoek ook getuige zijn geweest van de laatste stuiptrekkingen van een aantal traditionele organisaties die, de inspanningen ten spijt, straks overbodig blijken te zijn, of dat we van dichtbij de conceptie hebben mogen bijwonen van een nieuwe en futureproof nieuwsorganisatie; dat valt nog te bezien. Een ding is voor mij wel zeker: de journalistiek zal zelf niet met een oplossing komen. Als ze opletten, zullen de gebruikers hen daarover informeren.

Over de schrijver van deze blogpost
Als kersverse researchfellow van het lectoraat Crossmediale Kwaliteitsjournalistiek houd ik, Laurens Vreekamp (digital native) me bezig met onderzoek naar data-informed design decisions bij de totstandkoming van nieuwsproducties en de ontwikkeling van journalistieke diensten en services. Mijn interesse in, ervaring met en ideeën over de journalistiek houden mij als designer al meer dan 10 jaar bezig: mijn masterthesis behandelde het onderwerp hybrid journalism (2003), ik werkte een aantal jaar voor de publieke omroep (KRO), deed regie bij een Radio1-programma, ben coordinator van de HU-minor Future News Media, en richtte in 2013 samen met Erik van Gameren (NRC Handelsblad) nieuwsservice platform ‘immrs’ op.

De betekenisrevolutie: 3 dingen die je moet weten

De afgelopen tijd vallen me drie dingen op. Wil ik met je delen. En weet dat ik er een beetje met de botte bijl in ga:

  1. TV-kijken in 2015 betekent voor grofweg vier groepen kijkers in Nederland iets verschillends.
  2. ‘De maatschappij’ vraagt steeds vaker om ethische, humanistische handvatten als het gaat om omgang met en invloed van technologie op ‘ons’ huidige leven. Maar wie geeft ze die handvatten?
  3. Hedendaagse advertising mist inhoud en staat los van ‘wat er speelt’ in de samenleving. (En hoe ik dat verkeerd zag).

Boek: Het digitale proletariaat

Digitale proletariaat - coverOm met het tweede punt te beginnen. Er komt deze week een nieuw boek uit, van filosoof Hans Schnitzler: “Het Digitale Proletariaat”. Bij de introductie op zijn site staat het volgende:

In Het digitale proletariaat wordt de ontstaansgeschiedenis van een eigentijdse klasse geschetst. De digitale proletariër is een mens van wie het hele bewustzijn – zijn aandacht, emoties en vriendschappen, zijn ideeën en fantasieën – tot koopwaar is gereduceerd. Schnitzler maakt inzichtelijk dat de mens zowel zijn handelingsbekwaamheid als zijn levenskennis dreigt te verliezen. Totale proletarisering is het resultaat. De bijtende kritiek van de auteur op de digitale cultuur noopt tot bezinning.

Ik ben erg nieuwsgierig naar dit werk, en benieuwd of het tot nieuwe inzichten leidt wat betreft de Nederlandse maatschappij/markt, naast het al bestaande (en meer internationaal georiënteerde) werk hierover van bijv. Evgeny Morozov, Sherry Turkle, Andrew Keen en Nicholas Carr.

Consument = het product. Het product = betekenisloos
Het is een ding om te constateren, te beseffen en te erkennen dat ons hele bewustzijn tot koopwaar is gereduceerd. Maar als je daar de volgende uitspraak bij optelt, wordt ons huidige bestaan als consument, en ons beroep van communicatie-, media- en designspecialist wel erg leeg en dun. Tom Kniesmeijer (reclamemaker) schrijft namelijk het volgende in zijn artikel ‘Naakte vrouwen, is dat nog edgy anno 2015‘ (Adformatie #5, 6 maart 2015):

We hebben de ondergrens bereikt, die van betekenisloze producten, betekenisloze service en betekenisloze merken. En die van de reclamemaker die het ondertussen uitgemergelde lichaam van zijn klanten in een edgy jasje blijft steken.

Ehm… Heavy constatering, toch?!

Betekenisrevolutie
Maar… er gloort wel wat hoop in het artikel, met a) een oproep voor een ‘betekenisrevolutie’ en de vraag wie de volgende Benetton-campagne gaat maken; en b) met voorbeelden van nu (Triodos, RotterZwam en Doctors Orders) die de goede richting op gaan, volgens de schrijver. Zijn visie hierbij:

Communicatie zegt iets over de verhouding die je als merk hebt met de samenleving. Hoe je daarin staat. Over je ethiek van werken. Vanuit die gedachtestroom kan iets ontstaan dat, ver doorgevoerd, grenzen doorbreekt. Dat voelt dan niet als ‘lekker stout’ maar als noodzakelijk. Ergens zijn we blijkbaar die intrinsieke noodzaak verloren.

 

#immrs live caffee – hoe het publiek activistisch wordt
Zelf heb ik toch een paar aanwijzingen gevonden om een  positieve verandering te vermoeden. Tijdens een live event dat ik met #immrs op zondag 8 maart organiseerde kwamen een privacy-journaliste en crisiscommunicatie-onderzoeker aan het woord en gingen in gesprek met lezers aldaar.

Mijn samenvatting na de twee gesprekken met hen en het aanwezige publiek:
een falende, slecht communicerende en ondermaats dienstverlenende overheid enerzijds en gemakszuchtige corporate culturen die burgerbelangen als sta-in-de-wegs zien. Niks nieuws onder de zon, toch?! Maar wel heel toepasbaar op actuele problematieken die tijdens het live caffee werden behandeld: hacking en de overheid, aardbevingen in Groningen.

Wat misschien ook niet nieuw is -maar wel hoopgevend- is dat de journalist en de expert tegelijkertijd een steeds activistischer houding bij het publiek ontmoeten, zo bleek -uiteraard- al tijdens het live caffee, maar ook tijdens hun dagelijks werk, vertelden ze me achteraf. Niet alleen de getroffenen – ook andere mensen zeggen *iets* te willen doen. En die can-do mentaliteit in combinatie met moderne middelen, die is wellicht wel nieuw…

Afplakken = kwaliteit vragen
Wat dat iets is, wat het publiek zegt te willen doen , is niet wat ik in eerste instantie dacht. Dat was namelijk dat we terugkeren naar een soort ouderwets moralisme, en alle verworvenheden uit de jaren ’60 en ’70 laten wegglippen. Zoals het afplakken van posters met naakte vrouwen getuigt. Maar Kniesmeijer (van dat Adformtie-artikel) vertelde me dat ik dat anders moet zien:

Het is goed wanneer reclamemakers grenzen opzoeken. Aan de rafelranden van de maatschappij groeien de mooiste bloemen. Alleen… heb er dan wel een gegronde reden voor. Eentje die verder gaat dan ‘we wilden edgy voor de dag komen’.

En daarom juich ik nu zelfs het afplakken toe, van tepels van SuitSupply-zeemeerminnen op abri’s in Amsterdam-West. Ik zie het als een roep om kwaliteit in plaats van censuur.

De alledaagse afleiding
Brengt ons bij het laatste punt: waar gaan we heen voor afleiding van (betwistbare) kwaliteit? Grofweg het grootste deel (78%) van de Nederlanders zit nog op vaste tijden een groot aantal uren per dag voor zijn flatscreen, naar de NPO of commercielen te kijken.

Enzo Knol

Een jonger deel, (4% van totale NL’se bevolking in 2013), zeg in de leeftijd van 11 – 18 jaar,  kijkt naar een nieuwe generatie Youtube-helden als Enzo Knol en Mertabi. Ouders en ouderen (21+ en hoger) begrijpen vaak niks van de waarde van deze content, maar we zouden letterlijk beter moeten kijken naar deze video’s.

Zo vertelden twee studenten Content Design van CMD Utrecht tijdens hun presentatie ‘Identiteit in de Youtube-era’: Naast commercieel interessant, zijn het vooral de persoonlijkheden, de onderwerpen en de bijbehorende cultuur die impact zullen hebben op onze maatschappij.

En als laatste is er nog een klein deel van de Nederlanders (7%) dat uitgesteld kijkt, streaming en on demand. Studenten via Popcorntime en uitzendinggemist, en yuppen via NetFlix. Binge-watching, anytime, anydevice, complexe content.

Cijfers: 'Mediatijd in beeld' SCP, p.42

Handvatten voor betekenis: nu!
Mede dankzij het web en mobiele technologie, dat ooit een democratiserende werking werd toebedeeld door vele early technologists en progressieve politici, wordt nu ons gedrag verkocht om ons een gedrag te verkopen. In silo’s, netjes gescheiden van elkaar leven we in keiharde groepen langs elkaar heen. En we komen elkaars verhalen en culturele betekenissen niet tegen, en als dat al gebeurt, begrijpen we ze nauwelijks. Zit je dan, met je ‘samen’leving!

Dus: wie geeft ons de handvatten om van ons leven geen product te maken, en van onze producten geen holle concepten, maar kwaliteit op beide vlakken?  Of gaan jij en ik die zelf maken en brengen?

 

 

 

Ommuurd en afgeschermd – gevaarlijke gedachten voor toekomstige interacties

“Je moet ‘gevaarlijk denken’.”

Niemand minder dan VPRO’s Frank Wiering vertelde donderdag 17 januari aan ons – masterclassers van Sandberg@Mediafonds – dat bovenstaande een belangrijke eigenschap is om origineel en nieuwsgierig te zijn, zeker voor de makers van ‘zijn’ Tegenlicht.

Ook andere sprekers als @casparsonnen (IDFA Doclab), @joostoranje (Nieuwsuur), @jburkunk (BNN Nieuwe Media) en @YoeriAlbrecht (De Balie) gaven ons food for thought met visies, trends, ideeën, tips en voorbeelden w.b. hun specifieke vakgebieden. Deze blogpost getuigt van het feit dat op deze dag de aanwezige personen en gesprekken me tot het volgende triggerden…

Aantekeningen bij 1e masterclass van Sandberg@Mediafonds

Zo’n gevaarlijke gedachte waar Wiering het over had, is bijvoorbeeld de vraag stellen wie er in Amerika baat heeft bij een nieuwe oorlog. Door deze methode te gebruiken werd o.a. de Carlyle group een interessant onderzoekssubject voor een Tegenlicht-aflevering.

Gevaarlijke Zweed?
Een ander gevaarlijk idee dat me triggerde: “De mens is op aarde om de technologie vooruit te helpen”. Het betreft hier een stelling van een Tegenlicht-journalist, die -zo vertelde Wiering- vervolgens in zijn onderzoek hiernaar stuitte op Nick Bostrom: een Zweedse wetenschapper en invloedrijke denker op het gebied van onze toekomst. Het is niet verwonderlijk dat Bostrom, o.a. directeur van Oxford’s Future of Humanity Institute, technologie een grote rol toedicht voor onze toekomst. Samen met o.a. Ray Kurzweil zit hij ook bij de ‘Humanity +‘-club, ‘dedicated to elevating the human condition‘. En om zogeheten ‘humans+‘ te kunnen worden, dienen we eerst een aantal middelen te hebben gerealiseerd. Welke middelen dat zijn ligt hij toe in deze TED talk uit 2005:

Innovatie versus technologie
Maar technologie staat niet gelijk aan innovatie, zo leerde ik vorige week in The Economist, in het artikel ‘Innovation pessimism – Has the ideas machine broken down?’:

Innovation and technology, though talked of almost interchangeably, are not the same thing. Innovation is what people newly know how to do. Technology is what they are actually doing;

Alhoewel hier al de ‘what’- en ‘how’-vragen beantwoord worden, blijft de interessantste natuurlijk over: ‘why’. Waarom zal juist technologie ons helpen om waardevol te kunnen innoveren? Of, meer in Bostroms jargon: waarom is technologie de key-ingredientto elevate the human condition’?

Toekomst van interactieve technologie
Die vraag is lastig en zeer beperkt te beantwoorden. Een groep technologie-enthousiasten (user experience en interaction designers) durft het echter wel aan. In de 18-minuten-durende documentaire Connecting vertellen zij over de toekomst van technologie en interactie:

De 8 belangrijkste punten uit deze docu volgens Mark Wilson:

  1. Our phones demand too much attention, detracting from our real experiences.
  2. Analog metaphors are making less sense on digital devices.
  3. We’re waiting for new paradigms in experiencing media like text on screens.
  4. UX is a living, somewhat unpredictable thing. All experiences need to be fluid and flexible now.
  5. You shouldn’t just try to understand a product. You should try to understand its connected network.
  6. An “Internet of things”–countless connected sensors–is coming (and here).
  7. All of our information feeds into something larger than ourselves, a “superorganism” or “colony” of digital information.
  8. The hive mind got so big that greater Internet thought is now manifesting locally (think Egypt’s uprising or Occupy Wall Street).

Zo gesteld gaat de technologie van de toekomst ons helpen om de technologie van de toekomst niet te zien als technologie, maar wel als… ja, als wat eigenlijk? Technologie verweven met fysieke en digitale objecten. Technologie die leeft. In een ecosysteem, als superorganisme, ‘fluid & flexible’. 

Ik vind dat we, nog voordat het grote publiek zover is, we ons als makers een paar vragen moeten stellen en mogelijke scenario’s dienen uit te denken. Hoe gaat die technologie zich dan manifesteren, hoe en waarmee gaat het ons dan precies helpen, wat zijn dan die ‘real experiences’, en: waarom willen we dit dan eigenlijk?

De interface als muur en masker
Zoals ook in ‘Connecting‘ wordt gezegd, zijn onze huidige interfaces en interacties nu voornamelijk gebaseerd op ‘pictures under glass‘. Toepassingen op onze nieuwste devices bestaan uit plaatjes, die we via aanraakschermen manipuleren met onze vingers – door bijv. afbeeldingen en teksten te swipen, te vergroten of verkleinen met een pinch, of te draaien met duim en wijsvinger. De meest gehypte en als succesvol beschouwde technologische toepassingen bevinden zich dan ook voornamelijk binnen een op pictures-under-glass gebaseerde, mobiele, interactieve context. Denk maar eens aan de economische en emotionele waarde die veel mensen hechten aan Facebook en Instagram.

Zo bezien is het niet verwonderlijk dat voor veel mensen technologische vooruitgang gelijk staat aan de introductie van Apple’s nieuwste apparaat of de nieuwste app in de Android Play Store. Vanuit een macro-innovatie-oogpunt erg teleurstellend, en verre van groots ook. Venture capitalist en technologisch durfondernemer Peter Thiel stelt: 

‘we wilden vliegende auto’s; we kregen 140 characters.’

Naast het gegeven dat de hedendaagse technologische vooruitgang dus nogal teleurstelt (zie voor argumentatie en cijfers het eerder genoemde Economist-artikel), is de impact die al die schermen op ons gedrag hebben voor veel mensen verre van aangenaam. Steeds meer geven we een signifcant deel van onze aandacht aan (toepassingen op) mobile devices. Terwijl we dit doen zijn onze gezichten letterlijk ‘afgeschermd’. Voor aanwezigen in dezelfde ruimte vormen onze laptops, smartphones, tablets en pc’s een muur die willekeurige en reguliere interacties in de wegstaat; voor onszelf verworden de toepassingen binnen die schermen een masker waarachter we onszelf verbergen of selectief beter of anders voordoen. Lees het laatste werk van Howard Rheingold – Net Smart – en Sherry Turkle – Alone Together- maar eens. En ter vermaak misschien ook nog Andrew Keen’s laatste boek.

Gevaarlijke interfaces
Dit brengt me tot mijn eigen gevaarlijke vragen:

  1. Wat als de technologie -straks nog alomtegenwoordiger en zowel im- als explicieter aanwezig- nog meer van onze aandacht opeist?
  2. Wat als de interactieve interface tot onze enige ‘window on the world’ verwordt?
  3. Wat als de interface steeds meer verinnerlijkt – nog meer individueel op ons toespitst? Denk aan profilering en personalisering, al data-genererend en input verkrijgend via onze devices en objecten vol met sensoren die licht, geluid, temperatuur, snelheid, locatie, hartslag, bloedwaarde, urine, etc van ons en onze omgeving meten en opslaan.

Inner- en outerfaces als denkkader
Om bovenstaande vragen te beantwoorden heb ik een kader nodig. Laten we de hierboven geschetste innerlijke interface ‘the innerface’ noemen. En de tegenhanger dopen we ‘the outerface’.

Voor alle duidelijkheid: een interface is de manier waarop de gebruiker met een computersysteem communiceert.

De innerface is de representatie-resultante van een systeem aan de gebruiker, waarbij het systeem in staat is zich zo optimaal mogelijk aan te passen aan een gebruiker. De innerface manifesteert zich middels im- en expliciete interacties tussen een gebruiker en decentraal systeem in een ruimte met digitale, virtuele en/of fysieke objecten in de nabijheid van de gebruiker. Deze interacties en manifestaties zijn voornamelijk relevant en zoveel mogelijk gericht op een enkele, specifieke gebruiker.

Tegelijkertijd met de innerface ontstaat de outerface: de voor derden waarneembare effecten en representatie(s) van die interacties door een specifieke gebruiker met een decentraal systeem – kortweg: andermans innerface. De outerface is een constant fluid, flexible, organic product van waarneembare transities en interacties tussen een specifieke gebruiker en het systeem, zowel in vorm en inhoud van objecten, materialen, kleuren, schermen of andere fysieke elementen in de ruimte.

Scenario’s die passen bij de innerface-toekomst worden overal geschetst. Die toekomst is al lang en breed voorstelbaar, getuige de fragmenten in de Connecting-docu en toekomstfilms van o.a. Microsoft, Nokia en Corning.

Mijn gevaarlijke vragen zijn nu de volgende:

  1. Hoe kunnen we de outerface zodanig beïnvloeden, manipuleren en vormgeven dat er voor een zo relevante mogelijke groep mensen waardevolle contextuele interacties kunnen ontstaan en/of blijven bestaan?
  2. Als we niet de gebruiker als uitgangspunt nemen, maar juist het ecosysteem waarbinnen hij/zij, derden en al hun eventuele innerfaces zich gezamenlijk tot elkaar verhouden, wat levert dat dan op in denken over real experiences?

Nu nog even kijken hoe gevaarlijk het is om in dit scenario liquide journalistiek een rol te geven…

 

 

GoogleTV: waarom ik er tegen beter weten in bleef geloven

Update (06-01-2013): In Wired Magazine van januari 2013 schrijft Mat Honan een goeie column die deze blogpost + comments mooi in perspectief zet:

Why You Shouldn’t Buy a TV This Year. Again

Originele post:

Bijna 2 jaar geleden begon ik Google TV te gebruiken, in de hoop alvast letterlijk in de toekomst te kunnen kijken. Via Amazon bestelde ik de Logitech Revue. Dit, zo vertelde ik mijn vriendin, zou DE nieuwe manier van tv kijken worden. Let maar op. “Het is de toekomst”, zo enthousiasmeerde ik vrijwel iedereen die thuis langs kwam, waarna ik ze het draadloze toetsenbord in handen gaf om het zelf te ervaren.

Ik liet ze het ‘flingen’ zien: een functie waarmee je online content vanaf je smarpthone direct op je tv-scherm ‘tovert’. Vrienden waren enthousiast en wilden meteen allerlei Youtube-filmpjes aan elkaar laten zien. He, dacht ik: dit is sociaal TV kijken. Dit is dus die toekomst… Lees verder

We zullen het nog zien, met die bril van Google

Durf helaas nog niet zo enthousiast als Ernst-Jan Pfauth te zijn, maar Project Glass – de Augmented Reality Bril van Google– is zeker een interessante ontwikkeling. Bijvoorbeeld omdat Google zich nu ook op het terrein van concept-video’s begeeft, waar bijv. Nokia en Microsoft al jaren hun toekomstideeen mee visualiseren.

Concurrentie voor Facebook en Apple
Zo heeft TechCrunch enige reserve en een tip voor Apple en Facebook om samen te werken aan een concurrent:

“There’s a dozen ways the product could flop, most obviously if the glasses are awkward and unstylish, but also if they’re too heavy, expensive, fragile, or the world is just not quite ready. Let’s forget those for a second. Say Google figures it out and the retail version of Project Glass (which may end up being called Google Eye) becomes wildly popular. How will this disrupt Apple and Facebook, and what should they do to defend themselves?”

Lees hier het hele artikel http://techcrunch.com/2012/04/…

Technisch (nog lang) niet mogelijk
Daarnaast is -tot mijn verrassing- Wired Magazine erg skeptisch, als het gaat om a) living up expectations, b) de huidige stand van dergelijke technologie, maar vnl. ook c) een hele praktische issue:

“In other words, a display bearing overlaid graphics that performs well indoors would be washed out when the user encounters the brightness of the outside world. Because of such huge differences in ambient lighting, MacIntyre says creating a display that can handle multiple environments will be difficult. “You wouldn’t be able to accomplish it by just changing the brightness,” he says.”

Meer: http://www.wired.com/gadgetlab…

De video is juist een conversation piece!
En nu ik toch bezig was/ben, heb ik er ook een artikel van de New York Times bij gehaald. Zij vermelden dat de Googlers het volgende met de mock-up video willen bereiken:

“We’re sharing this information now because we want to start a conversation and learn from your valuable input,” the three employees wrote. “Please follow along as we share some of our ideas and stories. We’d love to hear yours, too. What would you like to see from Project Glass?”

Meer: http://bits.blogs.nytimes.com/…

Technologie om mensen te bevrijden van technologie
En als het al een status-symbool wordt, en uiteindelijk gemeengoed wordt in ons straatbeeld, dan vind ik de twee-na-laatste alinea uit het NYT-artikel het meest interessant voor een discussie. De reporter schrijft:

“People I have spoken with who have have seen Project Glass said there is a misconception that the glasses will interfere with people’s daily life too much, constantly streaming information to them and distracting from the real world. But these people said the glasses actually free people up from technology.”

En dat laatste, dat zullen we nog weleens zien (no pun intended!)…

PS: Deze blogpost is origineel als reactie geplaatst op een artikel van Ernst-Jan Pfauth
Dankzij deze tweet toch ook maar zelf als bericht geplaatst:

paradigma van een 2-year-old

Afgelopen weekend zag ik mijn nichtje van 2,5 jaar oud met de iPhone van haar moeder spelen. Ze zocht een fotootje op van haar tweelingbroertje, om deze vervolgens te tonen aan ons gezelschap. Daar is mijn moeder, haar oma, maar ook een aantal oudere familieleden, nogal van onder de indruk. Dat zo’n kleintje, die nog geen volledige zinnen kan uitspreken, laat staan lezen, hiertoe in staat is! In dit verhaal leg ik uit, waarom mijn nichtje om 3 redenen de toekomst heeft. Lees verder

dingen die doorgaan, dingen die veranderen

Dit verhaal gaat over 3 zaken: 1. de schijnbare verwaarlozing van dit blog, 2. nieuwe trends & ziektes, en 3: toch nog nieuwe muziek.

Het is waar. Mijn blog wordt te weinig ge-update. 2 oorzaken:

  1. geen actieve toetsing van Nieuwe Muziek door Adeline van Lier – waar ik hier een extra uitlaatklep voor had gecreeerd
  2. Facebook neemt steeds vaker de rol over om even iets over een onderwerp te delen – een groeiend fenomeen.

Desalniettemin blijven blogs de moeite waard. Sterker nog: blog-berichten schijnen steeds langer te worden.

Welnu, zoals jullie weten is Bert Kommerij mijn broodheer als het gaat om het verzorgen van introducties bij films. Afgelopen vrijdag viel mij deze eer weer te beurt, toen zijn Media Me in wereldpremiere ging op het International Film Festival Breda. Lees hier mijn integrale tekst, over gamificatie en FOMO.

Lees verder